Babel april 2013
Transkript
Babel april 2013
Maandblad voor de Faculteit der Geesteswetenschappen UvA • jaargang 21 • nummer 7 • april 2013 • student.uva.nl/babel Filmmuseum EYE bestaat één jaar. Directeur Sandra den Hamer: ‘Er is hier A’dam-E.V.A.-scenarist Robert Alberdingk Thijm: ‘Ik heb Eva gebaseerd op Carice van Houten.’ leven in de brouwerij.’ De Hipstamaticfoto als toonbeeld van mislukte oprechtheid – en andere post-postmoderne sores Universiteit van Amsterdam Faculteit der Geesteswetenschappen April 2013 1 tekening Beeld /// Tobias Wals INHOUD 02 tekening 03 Hoofdredactioneel Faculteitszaken 04 Collegehopper Poldox 05 Brood op de plank Joop Hopster Uitgelicht Verhipstering van de literatuur part two: twee replieken. To marketing or not to marketing? 12 06 opinie Verschoolsing van de UvA Journalistiek 07 Het interview Sandra den Hamer 10 IN gesprek Robert Alberdingk Thijm Kunst & Literatuur 12 Uitgelicht Literatuurverhipstering deel II 14 lofdicht Maarten Doorman Reportage Klassieke muziek in een café: helemaal geen contradictio in terminis. ‘Dit is pure emotie.’ 15 15 REPORTAGE Bier en violen 16 fictie 18 de ode Daan Roovers 19 mijn agenda Columns & Opinie 20 essay Mislukte oprechtheid 21 column Italianer 22 Essay De biseksuele eter De Ode Filosofie Magazinehoofdredacteur Daan Roovers bejubelt Camus: ‘die man schrijft perfect’. 23 Recensies 24 de koelkast van 18 Een preutse lente De studenten grinniken zacht achter hun hand als de vrouwelijke professor, die al redelijk aan de harde kant praat, luid het citaat ‘he showed his cock’ uitspreekt. Jaha, penis, piemel, plasser, pielemans of pik: het wordt eens te meer duidelijk dat het benoemen van de edele delen grappige en ongemakkelijke situaties opwekken. Hoe ‘oud’ we ook worden. Al helpt het natuurlijk mee dat het woord in een ongebruikelijke situatie wordt gebruikt, zo tijdens het werkcollege. Grote kans dat jij ook wel wat onwennig om je heen keek toen je alle synoniemen van het woord lul hierboven las. Daar zit je dan, met de Babel in de kantine… Joost de Vries verkondigt in De Groene Amsterdammer van januari 2013 dat voor onze generatie jongeren is seks niet meer cool is – we zijn (weer) preuts geworden. En wij geven hem best een beetje gelijk. Wanneer heb jij voor het laatst een goede, vol-in-het-beeld seksscène gezien? (On)geschoren vagina’s, zweetplekken, vetrollen en echte cocks zien we eigenlijk niet meer. Al is het alleen maar omdat het shot enkel het bovenlichaam toont. En wanneer las je voor het laatst een opwindend, want realistisch, seksverhaal à la Turks fruit? Het enige geschrevene over seks, zo zegt De Vries, wordt in de weg gestaan door de geïnternaliseerde, zelfbewuste houding van de personages. ‘(Het) schiet bijna automatisch naar een meta-niveau, naar een abstracte, generaliserende toon. Weg van seks, een vlucht het literaire in.’ Zelfbewuste jongeren kunnen die ongecontroleerde geilheid helemaal niet aan. Voor verdere seksuele opwinding hoef je deze Babel trouwens niet te lezen. Voor de geïnternaliseerde zelfbewustheid ben je wél aan het goede adres. Een editie met een stortvloed aan opiniestukken. Een greep uit het assortiment: de nieuwe oprechtheid, de verschoolsing van de UvA, egoïstische veganisten, en de hedendaagse literatuurwereld. En dan de zelfbewuste EYE-directeur Sandra den Hamer: over haar persoonlijk leven spreekt ze bij voorkeur niet. Laten wij volgende maand wellicht eens alle zelfbewustheid varen. Daan Borrel en Francisca Wals Beeld /// Vera Duivenvoorden Colofon Babel-app voor op de iPad Nu ook NRC Handelsblad er eentje heeft kunnen wij niet meer achterblijven: vanaf heden kun je de prachtige nieuwe Babel-app in de App Store downloaden. Voorlopig alleen voor op de iPad – wie weet wat de toekomst brengt. Babel, Maandblad voor de Faculteit der Geesteswetenschappen, Spuistraat 134, kamer 112, 1012 VB Amsterdam, [email protected], www.student.uva.nl/babel Hoofdredactie Daan Borrel, Francisca Wals Penningmeesters Daan Borrel, Francisca Wals Redactie Jesse Beentjes, Quint Italianer, Minthe Lok, Inger van der Ree, Kim Schoof, Florentine Sterk, Jolijn Swager, Lieke van der Veer Medewerkers Ties Brock, Saskia Buddelmeijer, Nina Schuttert, Doortje Smithuijsen, Andrea Speijer-Beek, Fleur Willemsen Eindredactiecoördinatie Jolijn Swager Eindredactie Marie-Claire van Bracht, Laurie Branderhorst, Lisanne Buijze, Alexandra Cousy, Anne Everard, Myrthe Geerts, Janneke van de Griendt, Ingrid van der Mooren, Jolien Suurmond, Jolijn Swager, Elin Wassenaar Fotografie Roos Aalvanger, Wouter Alberts, Vera Duivenvoorden, Thomas Huisman, Andrea Margelli April 2013 Illustraties Claudia Spinhoven, Guy Verbeek, Tobias Wals Redactieraad Yra van Dijk, Reinier Kist, Everdien Rietstap, Floor Rusman, Jerrold Smit, Joris van Wouden Vormgeving Luke van Veen, www.lukevanveen.nl Druk Grafiplan Nederland BV, www.grafiplan.biz Schrijven of illustreren voor Babel? Babel heeft regelmatig plaats voor nieuw schrijftalent, fotografen en illustratoren. Mail ons je cv en recent werk. Vind ons leuk op www.facebook.com/BabelFGw Volg ons via www.twitter.com/BabelFGw Download de Babel-app voor iPads in de App Store Cover /// Vera Duivenvoorden 3 Faculteitszaken Brood op de plank Faculteitszaken Collegehopper Van geschreven wetenschap naar beeldende documentaires Joop Hopster 37 jaar Studie Economie (niet afgemaakt), VU Geschiedenis (doctoraal, afstudeerrichting Oude Geschiedenis), UvA Afstudeerjaar: 2007 Werk: rubrieksbeheerder Geschiedenis en Politicologie bij Athenaeum Boekhandel Salaris: ‘Je kunt er goed van leven, maar je wordt er natuurlijk nooit rijk van’ Heftige discussies of duf aantekeningenvoer? Babel test het onderwijs aan de FGw en schuift in de collegebanken aan. Deze maand: Poldox. Tekst /// Carlijn Schepers Beeld /// Vera Duivenvoorden H et lokaal in BG 5 waar Poldox wordt gegeven, ziet er anders uit dan normaal: het licht is gedimd en twee halve cirkels van tafels vormen een soort theateropstelling. Hierdoor zijn alle ogen gericht op het scherm. Handig voor een vak waarin de documentaire centraal staat. ‘Maar we leiden studenten niet op tot documentairemakers’, drukt docent Hilbert Kamphuisen me op het hart. Het is een grappige man met wild, grijs haar en hij heeft verstand van zijn vak. ‘De documentaire leent zich goed voor de sociale wetenschappen, door het vertalen van wetenschappelijk onderzoek naar film.’ Daarom combineert dit vak onderzoek en theoretische artikelen uit een reader met het leren maken van een documentaire. Langzaam druppelen de (overwegend vrouwelijke) studenten binnen. Bij aanvang van dit vak zijn ze verdeeld in teams. ‘Om te voelen hoe het is om te “vechten” met elkaar, om je lekker te ergeren als je met een groep filmt.’ Er hangt een relaxte sfeer; velen komen later binnen en het college begint een kwartier na tijd. Er zijn dan een stuk of twintig studenten. Niet veel. Voor aanmelding moeten studenten een kort plan voor een onderzoek en documentaire inleveren. Zo beginnen alleen gemotiveerde en serieuze mensen aan het vak. geschikt medium is om geschiedenis te belichten. Af en toe gooit ze er een Engelse zin doorheen. Na het begin van een geschiedenisdocumentaire wordt de groep erbij betrokken. Geeft een documentaire minder of juist meer ruimte voor eigen interpretatie? En wat is waarheidsgetrouwer: literatuur of een documentaire over geschiedenis? Eén student is bijzonder fanatiek, waardoor steeds meer zich in de discussie mengen. De docenten schromen echter ook niet elkáár kritische vragen te stellen. Het college loopt inmiddels een half uur uit en de ene na de andere student verlaat de zaal. Na twee uur luisteren kan de passie van de docenten hun aandacht kennelijk niet langer vasthouden. Ik heb in ieder geval spijt dat ik het vak zelf niet gekozen heb. De combinatie van theorie en praktijk: sociaal-wetenschappelijk onderzoek en een documentaire maken, lijkt me interessant. Dit is overigens ook een van de redenen dat het vak in 2010 de Filmeducatieprijs won. De volgende dag hebben alle studenten een montageles in CREA. Of daar nog iets over gezegd moet worden? ‘Ja... Om tien uur aanwezig zijn!’ De pauze bevestigt nogmaals dat studenten houden van koffie, als velen terugkomen met een bakkie troost. Misschien om wakker te blijven? Het is inmiddels half zeven ’s avonds en Alexandra Schüssler – oorspronkelijk uit Slowakije – die net het stokje heeft overgenomen, is niet van plan het college af te raffelen. Ze komt niet voor niets wekelijks vanuit Basel, Wenen of Genève naar Amsterdam gevlogen. Met een Oost-Europees accent vertelt ze vurig over de discussie tussen documentairemakers en historici of de documentaire een Hoewel menig geesteswetenschapper het veracht, zo lang mogelijk uitstelt of zelfs ontkent: er is leven na de faculteit. Ter inspiratie of puur uit interesse; iedere maand een blik door de bril van een ex-FGw’er als heuse kostwinner. Tekst /// Jolijn Swager Beeld /// Roos Aalvanger Kamphuisen vertelt dat hij een compilatie van filmpjes die de studenten moesten insturen op YouTube heeft gezet. De opdracht: één handeling in vijf shots. Iemand grapt dat de hele wereld ze nu kan zien: ‘Studentjes die denken dat ze kunnen filmen’. Verschillende handelingen zijn gefilmd, zoals roken op een terras (begeleid door onheilspellende muziek van een krakende grammofoonplaat). Af en toe grinniken de studenten als ze zichzelf zien, of een studiegenoot die een banaan eet dan wel een ballon opblaast. Er zijn opvallend veel filmpjes van het maken van koffie. Volgens Kamphuisen komen die elk jaar weer in groten getale langs. ‘Maar altijd anders, dat is het mooie van zo’n opdracht.’ Bij het ‘feedbackmoment’ vliegen de onbekende termen me om de oren: ‘Over de as gaan’ (het overschrijden van de onzichtbare lijn tussen de camera en het object). ‘Dit shot is niet waterpas’ (door de camerastand staan objecten scheef, zoals op oude schilderijen van kunstenaars die nog niet in perspectief konden schilderen en alles van tafel leek te donderen). ‘Zorg voor schoon geluid’ (vermijd achtergrondgeluiden, zodat je alleen het geluid van het object of de handeling opneemt). Kamphuisen geeft veel adviezen: ‘In de lens kijken: verboden! Bovendien mag je je camera niet zomaar op iemand richten. Breng daarom mensen altijd op de hoogte.’ Met tips en tussentijdse opdrachten worden de studenten klaargestoomd voor hun eindopdracht: zelf onderzoek doen en een documentaire maken over een sociaal-maatschappelijk thema. Zoals sportverslaving, ‘zwerfzwangeren’ of islamofobie – onderwerpen uit de afgelopen jaren. De resultaten worden geüpload op de speciale website van het vak: www.poldox.nl. Booken van boeken Wat eerder dan gepland sta ik in de Amsterdamse boekhandel op het Spui. Of ik nog even wat rond kan kijken, vraagt een vriendelijk ogende man. Geen probleem – en ik zie Joop Hopster met een snelle pas tussen de boeken door manoeuvreren op zoek naar dat ene boek voor een klant. Stipt twaalf uur begint mijn rondleiding ‘Athenaeumachter-de-schermen’. Hopster brengt me naar de kelder, waar net binnengekomen boeken op een plaatsje in de winkel wachten. Via een klein deurtje gaan we vervolgens naar boven, waar ik in een heus achterhuis beland. Kamertjes, trappetjes, webredacties en directeuren. Die laatste twee in het enkelvoud dan. Hopster laat trots alles aan me zien – alsof het zijn eerste eigen huis is. Een beetje gokken ‘Dit is niet mijn eerste baan. Na mijn studie geschiedenis ben ik als webredacteur bij de VPRO begonnen, voor de programma’s In Europa, Beagle en Eeuw van de Stad. Dit waren steeds korte projecten van een half tot driekwart jaar. Na deze projecten wilde ik graag eens iets voor langere tijd met geschiedenis gaan doen. Op dat moment had Athenaeum Boekhandel een vacature voor een rubrieksbeheerder Geschiedenis en Politicologie. De boekhandel kende ik natuurlijk al, onder andere omdat ik er als student mijn studieboeken altijd haalde.’ College Poldox Studiepunten 12 Departement College Sociale Wetenschappen, afdeling Politicologie Docenten Hilbert Kamphuisen en Alexandra Schüssler Inhoud een theoretisch en praktisch vak waarin sociale wetenschap wordt gecombineerd met het medium documentaire Publiek een bonte mix van veelal wat oudere studenten met een achtergrond in de sociologie, politicologie, filosofie of antropologie Eindcijfer: 8 ‘Boekverkoper vind ik een heel mooi woord – het heeft iets ouderwets, alsof het een soort ambacht 4 Babel April 2013 is. In wezen is dat het ook. Kennis moet je altijd paraat hebben in je hoofd. Klanten vragen echt van alles: “Waar is het Anne Frank Huis? Welk boek moet ik mijn moeder geven die van tennis en paarden, maar niet van koken houdt? Heeft u nog wat over dit onderwerp, maar van een andere schrijver en uit de negentiende eeuw?” Hoe meer ik weet, des te beter ik mijn beroep kan uitoefenen.’ In zijn vrije tijd houdt Hopster dan ook zorgvuldig de actualiteiten bij via de televisie, radio, kranten en internet. Met twee jonge dochters gaat dat niet altijd gemakkelijk; meestal komt het op de avonduren neer. Vaak willen mensen toch even aan een boek voelen Als rubrieksbeheerder is Hopster verantwoordelijk voor de inkoop van alle boeken over geschiedenis en politicologie. ‘Aan de verkoop zie je duidelijk welk boek het wel en niet goed doet. Je merkt de resultaten van je eigen keuzes, iets wat in een grotere boekhandel van een keten niet had gekund. Het inkopen is wel risico’s nemen, hoor; altijd een beetje gokken.’ Hij vertelt me over stapels studieboeken die binnen een paar dagen uitverkocht zijn of boekjes die hij als kaskrakers zag, maar toch eindeloos bleven liggen. E-books en Bol.com Het heeft iets engs om met een historicus over de toekomst te spreken. Toch durft Hopster zijn mening te geven over de lijdende boekensector. ‘De hele branche staat onder druk door de crisis, door de komst van de e-books – ook al moet de doorbraak in Nederland daarvan nog komen, denk ik – en door rivalen op internet.’ Hij noemt spelers als Amazon en Bol.com als serieuze concurrenten. Desalniettemin ziet Hopster de toekomst niet somber in. De boekhandel is fundamenteel anders dan een internetwinkel, stelt hij. ‘Vaak willen mensen toch even aan een boek voelen; kijken of de bladspiegel prettig is. Websites als Bol.com zijn bovendien veel onpersoonlijker. Het draait alleen om verkopen. Wij geloven niet in “hier liggen wat stapels boeken die wegmoeten”, maar willen echt inhoudelijk wat toevoegen. Bijvoorbeeld door het organiseren van evenementen als SPUI25-lezingen of het aanbieden van voorpublicaties en recensies op onze website. Internet wordt vaak genoemd als gevaar voor de fysieke boekhandel, maar dat is te eenzijdig: ook wij verkopen natuurlijk steeds meer boeken via internet.’ Plots valt het oog van Hopster op zijn horloge: één uur. Zijn pauze zit erop en mijn rondleiding automatisch ook. Vol enthousiasme helpt hij alweer een volgende klant: een student Geschiedenis die morgen tentamen heeft, of er nog een exemplaar van zijn studieboek te verkrijgen is… 5 Faculteitszaken OPINIE Journalistiek Het interview De universiteit: O bolwerk van verschoolsing ‘Voorgekauwd’, ‘huiswerk’ en ‘aanwezigheidsplicht’ als kernwoorden van je studie. Verschoolsing van de universiteit: een veelgehoord verwijtend geluid in zowel verscheidene media als aan academische instellingen zelf. Terecht, betoogt neerlandicus in spe Fleur Willemsen. Beeld /// Tobias Wals ver drie maanden studeer ik af aan de Faculteit der Geesteswetenschappen. Bachelor of Arts ben ik dan, een neerlandicus om precies te zijn. Honderdtachtig studiepunten en een scriptie verder heb ik een universitair diploma op zak. In juni mag ik mijzelf officieel wetenschapper noemen. De universiteit is immers een wetenschappelijke studie-instelling. Academisch onderwijs wordt gekenmerkt door het uitdagen van studenten, het aanzetten tot kritisch denken en zelfstandig onderzoek doen. Dit zijn echter pijlers die ik de afgelopen jaren nauwelijks terug heb gezien. Kernwoorden die wel een hoofdrol hebben gespeeld in mijn opleiding, zijn ‘voorgekauwd’, ‘huiswerk’ en ‘aanwezigheidsplicht’. Onder één noemer: verschoolsing. Deze verschoolsing wordt vooral toegeschreven aan de bureaucratisering van het onderwijs. Studentenaantallen groeien, er moet gedacht worden aan andere manieren om studenten op grote schaal te begeleiden, controleren en toetsen. De enige manier om dit te bewerkstelligen is door flauwe regeltjes als huiswerkcontrole. Zo word ik geacht wekelijks samenvattingen in te leveren van de gelezen teksten bij een werkgroep Onderzoeksliteratuur. Mag het dan niet mijn eigen verantwoordelijkheid zijn of ik studiemateriaal direct tot me neem of uiteindelijk vlak voor het tentamen pas onder de knie krijg? Brokjes kant-en-klare informatie Nee, is het antwoord, want universiteiten zijn veel te bang dat we de stof uiteindelijk niet beheersen en dat we niet slagen. Sympathiek? Het lijkt hier eerder te gaan om een financiële kwestie: afgestudeerde studenten leveren geld op. En dus moeten er zo veel mogelijk mensen zo snel mogelijk afstuderen. Als je zo bij het handje wordt genomen, is die kans vele malen groter – maar een wetenschappelijke houding wordt er allerminst door gestimuleerd. Voor mij is uitdaging het belangrijkste aspect dat een wetenschappelijke benadering van onderwijs kenmerkt. De docent brengt een bepaalde kwestie naar voren, daagt de studenten uit om hier een mening over te vormen en wellicht tot een oplossing te komen. Studenten aan het twijfelen brengen en onzekerheid zaaien hoort hierbij: zo worden wij immers aangespoord zélf kritisch na te denken. Maar dat kost tijd. Hierom worden ons liever brokjes kant-en-klare informatie aangeboden. Stampen en reproduceren Efficiëntie en rendement, daar lijkt het om te gaan. We moeten snel door onze studie heen. Tijdens hoorcolleges staan docenten veelal met een PowerPoint vol lijstjes en infographics informatie uit te strooien over de groep studenten. 6 Zij pennen gedwee mee, wetende dat ze deze lijstjes later op het tentamen letterlijk zullen moeten reproduceren. Domweg punten uit je hoofd leren: daar is niets uitdagends of motiverends aan. In mijn werkgroepen is de situatie nagenoeg hetzelfde. Veelal gaat er eerst een aanwezigheidslijst rond, wordt gecontroleerd of iedereen zijn huiswerk af heeft waarna de antwoorden opgelepeld worden. Kritische discussies op kleine schaal onder leiding van een kundige docent – in mijn hoofd het ideaalbeeld van een werkgroepbijeenkomst – komen nauwelijks voor. Aan de ketting Ook verplichte contacturen vallen onder de schoolse regels die bij mij op weerstand stuiten. Aanwezigheidsplicht mag het officieel niet heten, maar de participatieplicht houdt in feite hetzelfde in – kom je niet opdagen of lever je je opdrachten niet op tijd in, dan word je uitgesloten van verdere deelname aan het vak, waardoor ik me weer net de voor onverantwoordelijk gehouden middelbare scholier voel. Bij mijn studie, het traject Taal en Communicatie binnen de opleiding Neerlandistiek, is het zelfs zo dat het magnum opus van de eerste drie jaar van de opleiding, de bachelorscriptie, niet aan de creativiteit en deskundigheid van de student zelf wordt overgelaten. Het scriptieonderwerp wordt je in de schoot geworpen. De onderzoeksvraag mag binnen dit kader wel zelf uitgekozen worden, maar erg prikkelend is een dergelijk voorgekauwd traject niet. Ik begrijp dat het academisch onderwijs in bepaalde mate onderhevig is aan bureaucratische (geld)kwesties. Toch blijft het vreemd dat faculteiten worden afgerekend op het aantal afgestudeerde studenten. Liever zou ik zien dat wij op kwaliteit in plaats van kwantiteit werden getoetst en ik neem aan dat de universiteit dit zelf ook zo ziet. Waarom is dit dan toch een verstomd geluid? De UvA-faculteiten zouden juist een front moeten vormen tegen deze vorm van onderwijs, of op zijn minst een eigen invulling moeten geven aan het kwantiteitskeurslijf dat hun wordt aangemeten. Ik mag dit jaar dan een papiertje ontvangen waarop staat dat ik wetenschappelijk onderwijs genoten heb – een kritische, zelfstandig denkend opgeleide student voel ik me allerminst. Fleur Willemsen (1991) is derdejaars student Taal en Communicatie aan de UvA. Sinds 2011 schrijft ze voor Babel en voor Spunk, een online jongerenmagazine. Babel Ik heb nooit gedacht: ik wil directeur worden. Het liep zo. Sandra den Hamer April 2013 7 > Journalistiek Het interview Een echt filmmens In april bestaat filmmuseum EYE één jaar. Directeur Sandra den Hamer (1959) vertelt over de pont, het restaurant en het gebouw aan het IJ. En haar werk niet te vergeten – want daar praat ze het liefst over. Tekst /// Francisca Wals Beeld /// Vera Duivenvoorden N a het gesprek vraag ik de directeur van EYE of ze vaak geïnterviewd wordt. ‘Hoezo? Omdat ik zo breedsprakig ben?’ Ze zegt het haast verontschuldigend. Haar toon is nu anders dan het afgelopen uur. Ik zeg haar dat ik gewoon benieuwd ben. En dan de vraag of ze het wel leuk vindt om geïnterviewd te worden. ‘Ja. Maar niet als het persoonlijk wordt. Heb je dat gemerkt?’ Ja, dat heb ik gemerkt. We zitten in een strakke vergaderruimte onder in het EYE-gebouw. Het uitzicht: het IJ, mammoettankers, pontjes en enkele kerktorens die achter het Westerdok omhoogsteken. Indrukwekkend. Op een ovale vergadertafel van licht hout en een kapstok na is de kamer leeg. De tafel is veel te groot om met z’n tweeën aan te zitten. Maar hier werd ik door de persvoorlichter met zachte hand heen gedirigeerd. Omdat Sandra’s afspraak uitliep had hij de tijd om ‘even kennis met me te maken’. Over hoe het is om als vrouw aan de top te staan, zei hij, kan ik beter geen vragen stellen. ‘Sandra praat graag over haar werk.’ Ze heeft een zwart colbertje aan. Een lichtroze zijden sjaal. Chique, stijlvol. Moleskine en iPhone liggen op tafel. Haar blik dwaalt af en toe af naar het IJ. vlak na de opening met hun huisvuilpas met grote korting naar de film. Alleen mensen uit Noord hebben zo’n pas. En we zijn bezig met een publieksonderzoek: zeven procent van onze bezoekers komt uit Noord.’ En de rest? ‘Zeventien procent is toerist. Zestig procent komt uit Groot-Amsterdam.’ Amsterdam, een nieuwe plek voor Sandra den Hamer. Tweeëntwintig jaar werkte ze bij het Interna- EYE krijgt jaarlijks acht miljoen subsidie. tionaal Film Festival Rotterdam, waarvan de laat- ‘Wij beheren het Nederlands filmerfgoed. Veertigste drie jaar als directeur. Al die tijd woonde ze in duizend films, deels internationaal. We hebben Utrecht, waar ze Film- en Theaterwetenschap had elke Nederlandse film die ooit gemaakt is in ons gestudeerd. Sinds september woont ze in Amster- archief. We restaureren en digitaliseren, maken al dam. Voor het eerst woont ze in dezelfde stad als dit beeld toegankelijk voor wie maar wil. Een kerntaak. En zes miljoen verdienen we zelf.’ waar ze werkt. Geld vind je niet op straat. En geld staat niet los van de inhoud. Hoe bevalt de pont? ‘Heel goed. We waren wel bang hoor, dat de pont ‘Heel erg leuk’, noemt ze haar vorige werk bij het een obstakel zou zijn. Het blijkt juist een extra as- Rotterdams Film Festival. Waarom ging ze dan set te zijn. Mensen staan er een paar minuten op, weg? ‘Een unieke kans’, antwoordt ze op deze kijken uit over het IJ. Even een gevoel van vrijheid, vraag in een interview in NRC uit 2007. van vakantie.’ Jij voelt je ook elke ochtend even op vakantie. me makeover, noem ik het graag. EYE is iets totaal anders dan het Filmmuseum. De diehard cinefielen kwamen daar, veertig-, vijftigjarigen. En die kleine zaaltjes met doorgezakte stoelen, ik schaamde me wel eens als we daar belangrijke filmvertoningen met buitenlandse gasten hadden. EYE is voor een veel groter publiek en ja, daar hoort een andere programmering bij. Grotere films, tentoonstellingen, een goed restaurant. Er is hier meer leven in de brouwerij.’ Wie vroeg jou om directeur van EYE te worden? Hoe? ‘Kaartverkoop, maar ook zaalverhuur, partnerships, fondsen, particuliere giften.’ Ik kan me voorstellen dat een deel van jullie bezoekers alleen voor het restaurant komt. ‘Ja, en dat is niet erg. De architect zei: “In het buitenland kom je via een zijsteeg de bioscoop binnen en na de film sta je op het parkeerterrein.” Dit gebouw moest een plek worden waar mensen graag willen zijn, waar ze samen willen komen. Thuis film kijken kan ook, iedereen heeft in deze tijd toegang tot alles. Mensen hebben behoefte aan een nieuw soort kerk. En dat bedoel ik niet religieus. Het restaurant is onderdeel van het geheel, prettig, leuk. Inspirerend.’ ‘Sijbolt Noorda, die toen al voorzitter van de Raad Wat eet je zelf het liefst van de kaart? ‘Ja.’ van Toezicht van EYE was. Na de slotfilm van het ‘Lunch of diner?’ Film festival in 2006 – Good Night, and Good Luck Kende je Noord al, voordat EYE hier neerstreek? van George Clooney – kwam hij naar me toe. “Wij Diner. ´Nou nee, het was als voormalig Shellterrein niet zoeken een nieuwe directeur”, zei hij. Ik: “Nou suc- ‘Dan ga ik toch voor de halve kreeft – met spinazie.’ toegankelijk voor publiek. Wij zijn hier pioniers, ces, ik ben niet beschikbaar.” Later belde hij en onderdeel van de ontwikkeling van de noordelijke toen ben ik toch eens gaan praten. Het ontwerp Culinair recensent Mac van Dinther was vlak IJ-oever. Overhoeks, de Shelltoren, de Tolhuistuin, voor het nieuwe gebouw was af en de vraag was of na de opening kritisch. Het eten kreeg een 6,5. ‘Er waren wat opstartproblemen achter de scherer gebeurt nu van alles.’ ik het tot leven wilde brengen.’ men, toen we opengingen was de keuken nog niet Komen noorderlingen uit de Banne Buiksloot Waarom vroeg hij jou? afgebouwd. En wat had hij ook alweer? De vis was hier ook? ‘Dat zou je aan Sijbolt moeten vragen.’ wat zurig. Bovendien: het uitzicht kreeg een 9.’ ‘Wij zijn een hybride instelling en ik vind het beHoe groot gedeelte van jouw werk bestaat uit langrijk om te wortelen in de omgeving. Dat geldt Heb je wel eens heimwee naar het oude het zoeken naar geld? al helemaal voor de bioscoop. Mensen denken in gebouw in het Vondelpark? een straal van een paar kilometer fietsafstand. We ‘Nee. Ik kwam er natuurlijk om te gaan verhuizen . ‘Een derde schat ik. Geld vind je niet op straat. En doen van alles met Noord. Noorderlingen konden Het was ook eigenlijk geen verhuizing – een extre- geld staat niet los van de inhoud.’ 8 Babel Wat doe je de overige twee derde van je tijd? wat een prachtig geluid. Ik heb niet het gevoel dat ‘Veel vergaderen, overleggen. Op maandagochtend ik heel hard gewerkt heb.’ Ze lacht. ‘Al denkt mijn begin ik met een vergadering met het manage- gezin daar vast anders over.’ mentteam. Terugblikken op de afgelopen week, cijfers erbij. De laatste tijd ging het helaas ook veel Ze zat met vijftien mensen in het jaar toen ze over bezuinigingsscenario’s. En ik heb veel ex- Film- en Theaterwetenschappen studeerde. Haar terne afspraken – met filmmakers, collega-instel- studiegenoten kwamen goed terecht. Eén is nu lingen, geldschieters. Vlak voordat jij kwam was ik directeur van het IDFA, een ander is hoofd drama in gesprek met de mensen van Cinedans. Vrijdag bij de NTR. Kan ze verklaren waarom het aantal probeer ik afspraakvrij te houden, dan heb ik tijd mediastudenten zo exponentieel is toegenomen? om wat te schrijven, na te denken.’ ‘De consumptie van beeld en geluid is veel groter geworden. Maar of er ook banen zijn voor al die Waar denk je dan over na? studenten? Het zijn niet de makkelijkste tijden.’ ‘Over beleid, dat dan weer wel. In Rotterdam zag ik veel meer films. Nu hou ik me vooral bezig met de grote lijnen, het coachen van een ploeg. Ik zou wel meer tijd willen hebben om films te zien. Ik ben een echt filmmens.’ Nooit de ambitie gehad om zelf films te maken? ‘Nee. Nou ooit had ik heel even het idee om cameravrouw te worden, maar zo is het niet gelopen. Ik werd vrijwilliger bij het Nederlands Film Festival in Utrecht, vanuit daar kwam ik in Rotterdam terecht en nu dus hier. Ik heb ook nooit gedacht: ik wil directeur worden. Het liep zo.’ Dan heb je veel geluk gehad. Mensen hebben behoefte aan een nieuw soort kerk. En dat bedoel ik niet religieus. We gaan naar buiten om de foto’s voor bij het stuk te maken. De eerste mooie dagen van het jaar, het terras zit vol. We lopen over de kade en Sandra overziet het tafereel als een projectontwikkelaar die de poolshoogte komt nemen op de bouwplaats. ‘Gister was er meer zon, toen zat het nog voller.’ ‘En ik ben er ook keihard voor gegaan. Ik verbind me aan de dingen die ik doe. Ik heb altijd een heel leuke werkomgeving gehad. Het geeft me veel Vind je het een mooi gebouw? energie. Samenwerken met gepassioneerde men- ‘Ja, ik vind het prachtig. Op de bouwtekeningen al. sen, drukte op de vloer. Soms ga ik tijdens een film- Die waren allemaal vanuit het perspectief vanaf vertoning tien minuten in een hoekje van de zaal het Westerdok. Als een opengeklapte oester ziet staan. Dan denk ik: wauw, wat een mooie projectie, het er dan uit. Toen ik tijdens de bouw een keer April 2013 vanaf de pont kwam aanlopen en het stalen skelet half stond, dacht ik: hier is iets misgegaan. Zo’n ander gezichtspunt was het.’ Een deel van de kade is afgezet met hekken. Er wordt een aanlegsteiger gebouwd voor de rondvaart op het IJ van Willem-Alexander en Máxima op 30 april. Een ouder paar spreekt Sandra aan. Of ze weet waar de rolstoelingang is. Aan de andere kant van het gebouw, Sandra loopt wel even met ze mee. Ik volg. Tot hoe laat werkt ze vandaag door? ‘Ik heb zo een telefonische afspraak. Vanavond eerst eten met de makers van een nieuwe documentaire die daarna in EYE in première gaat. Het zal wel een uur of elf worden dat ik naar huis ga.’ Zwaar. ‘Maar het voelt voor mij niet als werk hè. Zo gaat het vaak. En ik moet wel zeggen dat ik ook heel goed ben in vakantie houden. Ben net een weekje in Italië geweest. En binnenkort naar Cannes, de hele dag films kijken. Dat is ook vakantie.’ Op 4 april is het één jaar geleden dat koningin Beatrix EYE opende. Sindsdien hebben 670 000 mensen het nieuwe filmmuseum bezocht. EYE viert haar verjaardag van 5 tot en met 7 april met het programma ‘1 Jaar EYE, Celebrate Cinema’. De beste films van het afgelopen jaar zullen opnieuw vertoond worden (o.a. Moonrise Kingdom, Ouwehoeren en Kauwboy). Ook hoogtepunten uit heden en toekomst komen aan bod. De tentoonstelling over filmer en fotograag Johan van der Keuken zal voor € 1 te bezoeken zijn. Voor meer informatie zie www.eyefilm.nl. 9 Journalistiek in gesprek Precies wat gekken doen D Scenarist Robert Alberdingk Thijm (1965) vertelt over het geheim van een goed scenario, dingen die nooit gebeurd zijn, schilderen met temperament en zijn televisieserie A’dam-E.V.A. Tekst /// Inger van der Ree en Florentine Sterk Beeld /// Thomas Huisman e zware deur van het hoge grachtengordelpand zwaait open. ‘Sorry, stonden jullie hier al lang? De bel is stuk!’, verontschuldigt Robert Alberdingk Thijm zich lachend. Eenmaal binnen brengt een veel te kleine lift ons – ongemakkelijk opeengepropt – naar het appartement van Robert. Zijn woonkamer heeft typische VPROtrekjes: verzamelaarswoede gecombineerd met een zeker minimalisme. Veel schilderijtjes en grote meubels in alle mogelijke kleuren en materialen. Toch vormt het samen een geheel. Robert woont hier met zijn man Norbert ter Hall, tevens de regisseur van A’dam-E.V.A. In de kamer staan twee grote gele fauteuils en een rond koffietafeltje met daarop nonchalant het script van A’dam-E.V.A.-2. Alsof ze het onder het televisie kijken ‘even’ doorspreken. Met De Daltons, Dunya & Desie en Zeeuws Meisje luisterde Robert Alberdingk Thijm menig zondagochtend van onze jeugd op. Jaren verder zijn we – dankzij het door hem geschreven A’dam-E.V.A. – verliefd geworden op ons eigen Amsterdam. We vragen Robert naar de kunst van het scenarioschrijven. ‘Scenarioschrijven is belevenissen beschrijven. Je probeert de kijker iets mee te laten maken wat hij uit zichzelf niet mee zou maken. Die ervaring is niet echt, maar de emoties moeten wel voelbaar zijn. Dat is een rare paradox. Als scenarioschrijver ben ik me daarom voortdurend bewust van de kijker. Je moet bedenken wat je zelf geraakt heeft, wat iets met je doet en waarom je op een bepaalde manier naar de wereld kijkt. Scenarioschrijven is eigenlijk dingen herinneren die helemaal niet gebeurd zijn. In je hoofd roep je iets op, wat je zelf vormgeeft.’ Hij lacht: ‘Eigenlijk dus precies wat gekken doen!’ Hoe verzamel je die – niet gebeurde – herinneringen? ‘Ik maak lijstjes, altijd en overal. Op zo’n lijstje inventariseer en rangschik ik alles wat me op een bepaalde manier geraakt heeft. Toen ik De Daltons maakte, heb ik geprobeerd me voor te stellen hoe het ook alweer was om bijvoorbeeld – net als Tim uit de serie – een jongetje van zes te zijn, dat alleen maar broers heeft. Moeilijk was dat niet: ik kom zelf ook uit een gezin met drie oudere en één jonger broertje.’ Was jij vroeger de Tim van het gezin? ‘Alle personages zijn een beetje een afspiegeling 10 van mezelf, maar bij De Daltons identificeerde ik me inderdaad wel het meeste met Tim.’ De gebeurtenissen zijn dus fictie, maar de karakters echt? ‘Klopt, maar de karakters zijn tot op zekere hoogte ook fictie. De mop van scenarioschrijven is dat de innerlijke ervaring, de vervoering, van die gecreëerde karakters echt moet zijn. De uiterlijke ervaring, wat ze meemaken, is constructie.’ Toch lijkt het personage Eva in A’dam-E.V.A. een soort reïncarnatie van actrice Eva van Wijdeven. Ze hebben dezelfde gehaastheid en onhandigheid. Is het personage Eva stiekem gebaseerd op actrice Eva? ‘Dit hoor ik nou zo vaak! Maar nee, ik heb Eva gebaseerd op Carice van Houten. Dat nerveuze, stadse type dat zij zo goed kan spelen. Door haar turbulente acteercarrière had Carice natuurlijk geen tijd, ze speelt nooit in series, maar het schrijft wel lekker met een persoon in je hoofd. Er was al een andere actrice gecast voor Eva, maar drie weken voor de opnames kon zij niet meer. We moesten heel snel iemand vinden. Het was een idee van Temperament is de verf waarmee je een personage schildert Norbert om Eva van de Wijdeven te vragen. Ik ben dol op haar, ik vind haar een van de beste actrices die er zijn, maar voor mij was ze Desie uit Dunya & Desie, niet Eva! Toch deed ze auditie. Geweldig, ze was het gewoon. Nu kun je je geen betere Eva voorstellen.’ Niet gebeurde herinneringen verzamelen en schrijven met een persoon in je hoofd zijn dus manieren om een personage vorm te geven. Helpen ‘typetjes’ op straat daar bijvoorbeeld ook bij? ‘Ik zie overal en altijd typetjes. Echt waar, dat gaat de hele dag door. Maar vergis je niet, dat denken mensen andersom ook van ons. Stuk voor stuk zijn we typetjes, op zo’n manier kan je inderdaad naar personages kijken. Wat een personage onderscheidend maakt, is temperament. Dat heb je als baby al, en je komt er nooit meer vanaf. Het bepaalt waar je goed in bent, je keuzes, je innerlijke conflict en je perspectief. Dat is de dramatische kracht van een personage. Zo’n temperament is de verf waarmee je een personage schildert. Het leuke is dat een acteur een personage aanvult met zijn eigen temperament, soms valt dat perfect samen, zoals met Eva het geval was.’ gonnen met het schrijven voor weinig prestigieuze programma’s. De Vlaamsche Pot, echt een stomme Veronica-serie. Dat was heerlijk, dan kan je geen fouten maken en voel je niet alle ogen op je gericht.’ De Daltons en Dunya & Desie zijn hyperrealistisch, alsof je in een kijkdoosje valt, terwijl A’dam-E.V.A. meer een overkoepelend mozaïek is. Er is een moment dat je het script los moet laten omdat de regisseur ermee aan de slag gaat. Is dat moeilijk? ‘Dat hyperrealisme zit ‘m in een consequent gekozen perspectief. De Daltons beleef je als kijker vanuit Tims perspectief. A’dam-E.V.A. heeft meer afstand, is bijna een documentaire. De stad biedt het perspectief, niet een persoon. Als toeschouwer verbind je daar met je eigen beleving een betekenis aan.’ Hij wijst naar buiten, en grijnst. ‘Ik kan zo bij de buren naar binnen kijken, maar ik ken ze niet. Dat gevoel wilde ik in een serie vatten, vandaar dat mozaïek. Aan het begin van de lente was ik in het Vondelpark, het was mooi weer en iedereen kwam net onder de tegels vandaan gekropen. Het was genieten geblazen. Er waren zoveel mensen, met totaal andere levens, problemen, uitdagingen, relaties, geheimen... Die zaten daar allemaal op dezelfde plek en op hetzelfde moment van hetzelfde te genieten. Nooit zouden die levens elkaar raken. En dat besef, dat is heel sterk. In een stad ben je heel anoniem maar deel je toch heel intieme dingen met elkaar.’ ‘Nee, dat is heerlijk! Dat is het voordeel van schrijven met herinneringen in je hoofd die niet gebeurd zijn. Het is heel leuk als die vervolgens door anderen worden ingevuld en verfilmd. Ik heb het met Norbert natuurlijk veel over A’dam-E.V.A. gehad. Waar gaat de serie nu precies over, wat is ons doel, hoe vangen we het gevoel van het hier en nu? Achter iedere persoon zit namelijk een verhaal en achter elk verhaal een gebeurtenis.’ Een scenarioschrijver is vast continu op zoek naar verhalen. ‘Ja, zoiets simpels als onze interviewafspraak is eigenlijk al bijzonder omdat die deurbel het ineens niet deed.’ Robert gaat er eens goed voor zitten: ‘Dit had allemaal heel anders kunnen lopen. Eerst doe ik niet open, vervolgens zitten jullie ineens in een te krappe lift met je te grote rugzak. Vanochtend ontdekte ik die kapotte bel omdat de liftreparateur ook al voor een dichte deur stond. Eenmaal binnen heb ik hem toen ook meteen maar naar de bel laten kijken. Dat had een heel slechte liftreparateur kunnen zijn, dan had de bel gewerkt, en dan hadden we nu misschien nog wel vastgezeten in de lift! Merken jullie het? Ik herinner me nu iets wat niet gebeurd is, maar terwijl ik het vertel maken jullie hetzelfde mee in jullie hoofd.’ Martin Bril schreef ooit ‘Amsterdam is blond, want ik val op blond.’ Hoe zou jij Amsterdam personificeren? ‘Amsterdam is geen blonde vrouw. Het is wel een vrouw, een iets oudere vrouw, zo’n veertig jaar. Een moeder, een trotse moeder die voor haar kroost zorgt. Ze ziet er praktisch uit, donker en kort haar, broekdragend, met een grote mond.’ Het loopt tegen vieren en Robert wordt elders in de stad verwacht, waar de opnames voor het nieuwe seizoen van A’dam-E.V.A. in volle gang zijn. Iets met een groot gat in de grond, afgesloten waterleidingen, een hoogzwangere Eva en een bevalbad. Wij hebben het idee dat je voor schrijven een soort kinderlijke fantasie moet kunnen oproepen, maar naarmate we ouder worden raken we die langzaam kwijt. ‘Voor mij is verhalen zoeken gekriebel in m’n tenen. Het gaat daarbij om mijn eigen plezier, beleving en verdriet. Dat kinderlijke gevoel van hoe je een verhaal schrijft, ben ik eigenlijk nooit kwijtgeraakt. Je moet het jezelf niet moeilijk maken en gewoon durven schrijven. Daarom ben ik ook be- Babel Tot en met 14 april speelt in Theater Bellevue het door Robert Alberdingk Thijm geschreven toneelstuk Motregenvariaties, met in de hoofdrol Olga Zuiderhoek. Voor meer informatie zie www.theaterbellevue.nl. April 2013 11 Kunst&Literatuur Uitgelicht: de verhipstering van de literatuur part two Vloek of zegen? Doe iets De toon die op literaire feestjes wordt aangeslagen door flitsende presentatoren en jonge schrijvers is oppervlakkig en neerbuigend. Mensen die op dat soort feestjes komen, nemen de literatuur wel degelijk serieus. Het is tijd dat ironie plaatsmaakt voor oprecht enthousiasme, betoogt SLANG-hoofdredacteur Saskia Buddelmeijer. D e kritiek op de verhipstering van de literatuur die Daan Borrel in haar stuk in de februari-editie van Babel uitte, is herkenbaar. Mooi dat er zo veel belangstelling is, maar moet het allemaal zo…prosecco? Ik ben blij te lezen dat ik niet alleen sta, maar wat ik mis aan haar verhaal is een alternatief. Ook ik heb een bachelor Literatuurwetenschap afgemaakt, en voelde me net als zij een eenling. Gelukkig kwam ik snel tot de ontdekking dat er meer mensen waren die aan de apathie wilden ontsnappen. In de stille kantine van het Bungehuis kon ik aanschuiven bij een groep literatuurwetenschappers die zich had voorgenomen een eigen tijdschrift te maken. En wij waren niet de enigen. Hopelijk valt het door de nieuwe bladenbakken meer op, maar het barst hier van de facultaire tijdschriften. Dat is uniek. Op geen enkele andere universiteit in Nederland zijn er zo veel langlopende faculteitsbladen: bijna iedere studie heeft er wel een. De geesteswetenschappers aan de UvA zijn makers, geen passieve studenten. Dodelijke ironie In het literaire veld buiten de universiteit is in korte tijd veel veranderd. Dat literatuur een hobby zou zijn voor bejaarde grachtengordeldieren, blijkt niet waar en wat Borrel zegt is wel waar: literatuur is hip. Het doet een beetje denken aan de popularisering van dat andere academische veld, de natuurwetenschap. Al jaren barst het op de televisie van nieuwsgierige jongens en meisjes die guitig vertellen over de wonderen van het heelal of de werking van de hersenen. Ze wekken de indruk iets uit te leggen aan een onwetend publiek, en de algemene kennis van de massa te vergroten. Toch heeft het iets vreemds. De natuurwetenschappelijke materie is makkelijk genoeg om goed te begrijpen, maar moeilijk genoeg om een zeker ontzag op te roepen bij het publiek. Marketing, noemt essayist Coen Simon het in zijn boek En toen wisten we alles. Marketing om de wetenschap als doel op zich te mogen opvoeren, als een magisch medium dat antwoord geeft op alle vragen. Literaire hipsterfeestjes hebben eenzelfde air: wij 12 zijn voor het grote publiek! Zie je wel dat jongeren lezen! Inderdaad: het is prettig dat de experts het podium niet meer alleen gebruiken om te pochen met hun kennis, en dat je in godsnaam ook lol mag hebben op zo’n avond. Het is waar dat er hele drommen mensen op afkomen. Toch is ook daar iets vreemds mee aan de hand. Iedere keer dat ik naar zo’n avond ga, zie ik geen leken die van de ene op de andere dag in boeken geïnteresseerd zijn geraakt. Ik zie medestudenten, en alumni. Mensen die in hun vrije tijd Baudelaire lezen en Derrida begrijpen. De populistische, ironische houding van de flitsende presentatoren past daar niet bij. Hoezo wil ik niet weten waarom iemand iets mooi vindt om een andere reden dan een emotionele? Hoezo mag de auteur niet dieper ingaan op de verwantschap van zijn werk met dat van Kafka? En nog iets: het idee dat je niet pretentieus mag zijn, zorgt voor een verlammende ironische houding. andere vereniging zodat je publiek verdubbelt. Een klein beetje steun van de faculteit is genoeg om hele groepen op de been te krijgen voor een waardevolle avond. Op die manier organiseerden we al voor de vierde keer SLANG on Stage, en dat zal zeker niet de laatste zijn. Geen gelikte presentatoren, geen prosecco: wel opkomende dichters die geweldig kunnen voordragen, en een feest achteraf waar in een balorige sfeer plannen worden gemaakt voor nieuwe initiatieven. Het moge duidelijk zijn dat deze generatie heel wat pragmatischer is dan de vorige. Laten we daar gebruik van maken. ‘Alles moet tegenwoordig groots, “lachen”, toegankelijk en prosecco zijn. Dus ook de literatuur’, schrijft Daan Borrel in de februari-editie van Babel. Ze verzet zich tegen de hippe literatuurfeestjes waar ‘kekke jurkjes en zware Ray-Banmonturen’ eerder regel dan uitzondering zijn. Twee spelers uit het literatuurveld dienen haar van repliek. Beeld /// Guy Verbeek Leuk werkt Het is crisis en hoe brengt men literatuur aan de man/vrouw? Juist: reclame. Niks mis met een beetje marketing in boekenwereld, betoogt ssba-salon.nl-schrijver en Ray-Banbezitter Doortje Smithuijsen. E r is weer sprake van een Amsterdamse Koude Oorlog. Het slagveld is de literatuur, met aan de rechterlinie de traditionele generatie lezers en schrijvers, aan de linkerlinie de nieuwe generatie. Het conflict bestaat uit de vraag of de ‘verhipstering’ van de literatuur al dan niet een kwalijk gegeven is. Literaire evenementen veranderen in een collectief stare them down tussen de reactionaire garde en de ‘nieuwe lezer’. Er wordt gefluisterd over het grote, jonge kwaad dat, gehuld in modieuze jurkjes en gewapend met Ray-Banmonturen, de literatuur algeheel naar de knoppen zal helpen. In de februari-editie van Babel sprak Daan Borrel haar onverbloemde ergernis uit over het nieuwe Voordrachten en verhalen Dodelijke ironie moet plaats maken voor oprecht enthousiasme. Geen suffe interviews, maar echte voordrachten en echte verhalen. Want dat heeft de geesteswetenschap voor op de natuurwetenschap: de mogelijkheid verhalen te maken van wat er om ons heen gebeurt, en de wereld betekenis te geven. In tegenstelling tot de natuurwetenschap hoeven wij niet voor het publiek op de knieën: het enige wat we nodig hebben, is de overtuiging dat die verhalen goed genoeg zijn voor meer mensen dan wijzelf. Doe iets, maak een tijdschrift, ga op dat podium staan, schrijf een artikel over het verdwijnen van de kleine talenstudies en stuur het in naar de NRC. Een literaire avond organiseren? Zoek een schrijver die een podium wil, zoek een podium dat schrijvers wil, en organiseer het samen met een Saskia Buddelmeijer (1989) volgt de master Redacteur/editor aan de UvA en is hoofdredacteur van SLANG Magazine, het onafhankelijke blad van Literatuurwetenschap dat vier keer per jaar in het P.C. Hoofthuis is te vinden. Begin deze maand verschijnt er een nieuwe uitgave. lezerssoort, dat er volgens haar uitziet alsof ze nog nooit een boek van dichtbij heeft gezien maar wel standaard komt opdraven bij boekpresentaties en voorleesavonden. Welnu, als bezitter van zowel een Ray-Banmontuur als een heel legio aan jurkjes die er allerminst bibliotheekwaardig uitzien, voel ik mij geroepen haar van een repliek te dienen. Stad vol geëtaleerde literatuur Laten we met iets droogs beginnen. De ‘verhipste- Babel April 2013 ring’ van de literatuur is namelijk eigenlijk niets anders dan een heel droge één-en-één-is-tweeoplossing. Het is – het zal u niet ontgaan zijn – crisis. De koopkracht daalt en producenten moeten alle zeilen bijzetten om hun producten nog aan de man te brengen. Hoe verkoop je iets? Door het te etaleren. Ziehier: een stad vol geëtaleerde literatuur. Deze reclame trekt consumenten aan. Nieuwe consumenten, ongebruikelijke consumenten: consumenten die gevoelig zijn voor reclame. En die reclamegevoelige consumenten zouden we niet zomaar weg moeten zetten als onwetend en onbelezen; zij zijn immers de drijfveer die de literatuur draaiende houdt. Want, eerlijk is eerlijk: zonder betalende consumenten is elke beroepsgroep verloren. Uit het artikel van Daan Borrel spreekt verder de angst dat literatuur, ten prooi gevallen aan dj’s en proseccopubliek, aan kwaliteit zal inleveren. Dat lijkt me alleszins te betwijfelen. Laten we niet vergeten dat pr-stunts en schreeuwerige manifestaties je nog geen goede schrijver maken. Je boekpresentatie laten sponsoren door Bacardi en laten bevolken door achttienjarige meisjes maakt je nog geen grote jongen in de literatuur. Een goed boek schrijven (en dan nog één, en dan nog één), dat maakt je een grote jongen in de literatuur. Dat weet de lezer, en dat weet de literatuurcriticus. ‘Het hele ding eromheen’ bepaalt noch in negatieve noch in positieve zin de kwaliteit van dat boek. Niets bepaalt simpelweg de kwaliteit van een boek, behalve het boek zelf. Opvallend overigens – even tussendoor – dat Olga Kortz zo’n prominente plek had in de Babel van februari. Olga Kortz, die ‘het hele ding eromheen’ zo ongeveer uitgevonden lijkt te hebben. Ik heb reeds twee interviews met haar gelezen over haar schrijverschap en haar al op twee literaire avonden zien optreden (waarvan één keer in de seksueel geladen Tartaros; de Jonge Schrijversavond), terwijl haar allereerste boek nog moet verschijnen. Dure drankjes en seksgrappen Ik kan me eigenlijk niet voorstellen dat Daan Borrel deze bovengenoemde zaken niet zelf heeft bedacht. Ik denk eigenlijk dat haar frustratie, en met die van haar die van zo vele anderen, gestoeld is op een gevoel van verlies van identiteit. ‘Dat lieve stoffige literatuurmannetje moet ineens een stoere jongen met een grote bek zijn’, schrijft ze weemoedig. Veel literatuurliefhebbers avant la lettre, die al naar literaire avonden gingen toen deze nog plaatsvonden in aftandse huurzaaltjes en bevolkt werden door anderhalve man en een paardenkop, zullen zich ontheemd voelen nu ze hun hobby en literatuurliefde ineens te lijken moeten delen met tout Amsterdam. Ze denken: hallo, na al die jaren waarin wij met veel pijn en moeite de literatuur levend hebben gehouden, komt de hooggehakte grachtengordel even om de hoek kijken en verpulvert alle authenticiteit van ons cultuurgoed met pr-stunts, dure drankjes en seksgrappen. En dat is naar, en ik snap dat wel. Maar laten we het van de zonnige kant bekijken. Laten we blij zijn met al die nieuwe consumenten die, om wat voor reden dan ook, boeken kopen en daarmee de literatuur op de been houden. Een paar jaar geleden sprak men nog van ‘de dood van het boek’ en van ‘het einde van de literatuur’. Niets daarvan: literatuur is niet aan te slepen. De wonderen zijn de wereld nog niet uit. En tegen die boekenwurmen die inmiddels echt in identiteitscrisis verkeren zou ik graag willen zeggen dat Daan Heerma van Voss onlangs op de boekpresentatie van zijn boek De Vergeting, geheel conform het beeld van de romantische, ouderwetse schrijver, in de hoek uit een zelf meegebrachte fles whisky zat te drinken. Maar wat kan ik zeggen: je had er bij moeten zijn. Doortje Smithuijsen (1992) studeert Filosofie aan de UvA en schrijft voor ssba-salon.nl, het magazine van ‘de culturele deeltjesversneller’ van de Stadsschouwburg Amsterdam. 13 Kunst&Literatuur reportage Kunst&Literatuur Lofdicht Ingedikte zee Bier en violen Welke gedichten vindt een dichter of poëziegeleerde bijzonder? Elke maand in Lofdicht een gedicht met bijbehorend eerbetoon. Deze maand Maarten Doorman (1957), dichter, essayist, cultuurfilosoof aan de Universiteit Maastricht en bijzonder hoogleraar Journalistieke kritiek van kunst en cultuur aan de UvA. Zijn bundel Je kunt bellen verscheen afgelopen maand bij Prometheus. Tekst /// Jesse Beentjes Beeld /// Vera Duivenvoorden Klassieke muziek in een café, een contradictio in terminis? Nee hoor, meent het duo Myrthe Helder en Leonard Besseling van Muziek buiten de concertzaal. Elke maand spelen ze klassieke muziek in Café Cox. ‘Dit is pure emotie.’ Tekst /// Nina Schuttert Beeld /// Andrea Margelli In de kwal roept de zee O, roept de zee in de kwal. De zee in de kwal roept o o o De zwevende mond legt zich aan om de infinitief, o, o, roepdrinkt o. Wie of wat niet op de gedachte komt zich te bevrijden is hier hier hier hier hier en hier niet te weten. Bundel: (Robuuste tongwerken,) een stralend plenum (1997) Tonnus Oosterhoff ‘A ls iets er anders uitziet dan normaal ga je erover nadenken. In dit gedicht is het typografisch beeld belangrijk, iets waar poëzielezers en critici weinig aandacht aan besteden. Ik heb een fascinatie voor poëzie waarin woord en beeld worden gecombineerd. Zelf heb ik dat ook gedaan in mijn laatste twee bundels, al zou ik niet snel een gedicht als dit schrijven. Dit gedicht gebruik ik wel om studenten uit te leggen wat het verschil is tussen beschrijven en tonen. Tonnus Oosterhoff is daar heel goed in. Ik zie hem niet zo snel bij De wereld draait door, hij heeft weinig met publiciteit, maar hij won vorig jaar de P.C. Hooftprijs en is een meester in het experimenteren met de interactie tussen woord, geluid en beeld. Als je dit gedicht alleen hoort kan je er weinig chocola van maken, maar door deze typografie wordt het knetterconcreet. Het laat iets zien in plaats van het alleen te beschrijven. Dat zie je door het beeldrijm: de o’s staan op precies dezelfde hoogte als de hier’s verderop. Nog concreter wordt het met de o. Allereerst is dat natuurlijk de vorm van een kwal. Daarbij hebben de kwallen die hier op de Noorzeekust aanspoelen, ik weet niet hoe het merk heet, vaak ook van die ringetjes in het midden. De o is eindeloos, ofwel infinitief. Hierbij is roepdrinken een prachtige vondst. Er gaat iets uit (het o-roepen) en iets in (het drinken), tegelijk een verwijzing naar de beweging van een zwemmende kwal. De kwal beweegt zich dus eindeloos voort door te roepdrinken. Wat roept hij – dit gedicht? Dan is de kwal de dichter, wat ook klopt als je de laatste o (met punt) ziet als de initiaal 14 van Tonnus Oosterhoff. Ook de andere o’s uit ‘Oosterhoff’ komen terug in het gedicht. Het gaat volgens mij dus om een roepende dichter in het concrete en het oneindige: het gedicht is nu hier, maar het is ook altijd overal. Dat klinkt zwaar en daar moet je eigenlijk niet over schrijven, tenzij je het zo concreet doet. Over het laatste gedeelte heb ik nog niet goed nagedacht, maar het heeft ook te maken met dat oneindige en concrete: door het ‘hier, hier’ word je het gedicht in getrokken. Het is naast een iconisch gedicht ook geestig: de initiaal o., verwacht je eerder bij een verdachte in een rechtszaal. Het plezier dat je eraan kunt beleven is al genoeg: zelfs een ongeoefende poëzielezer haalt er al snel iets van beweging en oneindigheid uit. In die zin is het glashelder, in tegenstelling tot sommige hedendaagse hermetische Nederlandse poëzie. Ik houd daar niet zo van. Gerrit Krol zei het al: ‘Het is makkelijker een moeilijk gedicht te schrijven dan een makkelijk.’ Daarom getuigt dit gedicht van vakmanschap, terwijl het allerlei associaties oproept. Niet alleen het oneindige en concrete komen naar voren, je kunt er zelfs de romantische natuuropvatting in ontdekken: de mens zit in de natuur en de natuur in de mens. Oosterhoff schrijft namelijk dat de zee in de kwal ‘o’ roept, en niet andersom. De zee zit in de kwal. Dat zie je ook op het strand: een aangespoelde kwal is een samenvatting van de zee, ingedikte zee als het ware. Hoewel het een eenvoudig gedicht lijkt, zijn er dus allerlei associaties mogelijk. De kwal is multi-inzetbaar en mag Oosterhoff wel dankbaar zijn. Dat ben ik ook.’ Babel Klassieke muziek in een café? Dat klinkt als kaviaar serveren in een snackbar. Honderd jaar geleden was dat echter heel normaal. In Het Concertgebouw stonden tafeltjes en kon je tijdens de concerten een biertje bestellen. Zelfs de grootste violisten speelden niet alleen in theaters maar ook in cafés en salons. Tegenwoordig is klassieke muziek steeds verder verwijderd van het publiek. De musici zitten op een hoog podium en het publiek mag alleen op bepaalde momenten applaudisseren. Geen interactie en weinig emotie dus. Violiste Myrthe Helder (1983) en cellist Leonard Besseling (1987) zijn beide musici op hoog niveau en vonden het hoog tijd voor een fris initiatief. Ze richtten de stichting Muziek buiten de concertzaal op. Hun doel is de kloof tussen musici en het publiek te verkleinen en mensen op een ongedwongen manier te laten genieten van klassieke muziek. Hoe ze dat doen, vertellen ze in een gesprek over prestatiedruk, muzikale emoties en tatoeages. En om te zien hoe het er in de praktijk aan toe gaat ben ik de sfeer gaan proeven op een van de door hen georganiseerde avonden. Klassieke jamsessies ‘We hielden al regelmatig privé jamsessies bij ons thuis’, vertelt Myrthe, die sinds haar zesde viool speelt en inmiddels bij verschillende toporkesten zit. ‘Gewoon relaxed, met een klein groepje musici genieten van muziek.’ ‘Ongedwongen en zonder etiketten, ik haat etiketten!’ vult Leonard aan. Dat is toch hoe veel mensen zich een klassiek concert voorstellen: opgeprikt in nette kleding in een grote zaal met oude mensen waar je niet mag praten. ‘En dat is jammer, want klassieke muziek is net als jazz of popmuziek pure emotie’, zegt Myrthe. April 2013 ‘Liefde, verdriet, woede, alles zit erin, dat moet je met de andere musici maar ook met je publiek kunnen delen.’ Ze besloten de klassieke jamsessies te verplaatsen van hun huiskamer naar café de Klepel in de Prinsenstraat. Klepel Classics bleek een groot succes, het zat iedere maand stampvol en de reacties waren erg positief. ‘Mensen vinden het heerlijk dat ze met een biertje in hun hand naar mooie muziek kunnen luisteren’, zegt Leonard glunderend. ‘En de musici voelen zich op hun beurt vrij om te spelen waardoor er enorm mooie dingen ontstaan.’ Daar is Myrthe het mee eens: ‘De spanning van perfect moeten presteren zoals in een concertzaal is er niet, daardoor word je ook als musicus meegezogen in de interactie met het publiek en je medemusici.’ Gejoel en bierglazen Een ander doel van de stichting is om een breder publiek te bereiken. Daarom zijn ze gaan praten met Café Cox, het kunstenaarscafé bij het Leidseplein. Cox Classics was het resultaat. Samen met bevriende topmusici spelen Leonard en Myrthe iedere derde dinsdag van de maand een aantal klassieke stukken. Als ik rond tien uur Café Cox binnen kom is de eerste jamsessie net voorbij en staan de musici bij te komen aan de bar. Het is volle bak, overal zitten studenten aan het bier en er wordt druk gepraat. Het is moeilijk voor te stellen dat hier net een klassiek concert heeft plaatsgevonden. Tussen de muzieksessies door wordt er een korte film vertoond van een vers afgestudeerde student van de Roosevelt Academy. Het idee hierachter is om verschillende kunstvormen met elkaar te combineren. Dan is het weer tijd voor muziek. Op het programma staat een stuk van Dvorak, een Tsjechische componist. Als de vijf jonge musici beginnen te spelen, sterft het gepraat langzaam weg en lijkt iedereen betoverd te worden door de sprookjesachtige melodieën van Dvorak. Stelletjes kruipen tegen elkaar aan en de barvrouw legt met een dromerige blik haar hoofd tegen de tap. Na de laatste noot barst het publiek los in een luid gejoel, er wordt gefloten en geroepen, bierglazen vallen om. ‘En dat is juist zo mooi, dat we muziek spelen voor mensen die het misschien wel voor de eerste keer horen waardoor ze totaal overdonderd zijn.’ zegt Leonard na afloop. ‘Daar krijgen wij als musici ook weer energie van.’ Myrthe vertelt dat mensen vaak een bepaald beeld van haar hebben als ze weten dat ze viool speelt. Als ze er vervolgens achter komen dat ze een tatoeage op haar rug heeft zijn ze altijd in shock, dat past niet in het klassieke plaatje. Myrthe: ‘Dan zeg ik altijd, musici zijn musici, of ze nou rock & roll spelen of Mozart.’ Voor meer informatie en concertdata, zie www.muziekbuitendeconcertzaal.nl. 15 Kunst&Literatuur fictie Dekmantel Tekst /// Jolijn Swager Beeld /// Claudia Spinhoven V ier blaadjes aan de linkerkant bij een ruime bril, drie bij een smallere. Vier blaadjes op de rechterzijde bij een gezette variant, drie bij een bescheidenere. Vóór volstaat met twee stukjes papier. De toiletbril is bedekt. Nu begint het keuzeproces: waar te zitten? Links, rechts, midden of diagonaal? Bij hokjes waar men de voeten kan zien, is schuin zitten niet aan te raden. Menig toiletbuurman zal verbaasd opgekeken hebben na het zien van twee uitgestoken schoenen aan de zijkant van het hokje. Jort pakt zijn versleten rugzak, die lamlendig aan de wc-deur hangt. Bij het openen van de deur houdt hij zijn blik stijf op de grond gericht. Lijfregel: oogcontact vermijden. In de collegezalen hanteert hij de ‘dek-me-in’-tactiek. Plaatsnemen op rij driekwart geeft statistisch de grootste kans op een rustige zitplaats. Achterin zitten namelijk de popiejopies en in het midden de studenten die onvoorbereid komen, maar toch wat willen opsteken. Voorin zit vrijwel niemand, maar bestaat de ongewenste mogelijkheid om het woord te krijgen. Driekwart is stipt uitgekiend. Als een schim laat hij zich geluidloos in de klapstoel zakken. Hij veegt zijn sluike haar voor het gezicht. Uit de afgesleten rugzak verschijnen enkele van de vele pennen en papieren blaadjes die hij dagelijks meesjouwt. Nooit zal het hem gebeuren deze aan iemand te moeten vragen. Lijfregel twee: vermijd élk contact om fiasco’s te voorkomen. Na het college nog een toiletbezoek. Van de zenuwen moet hij weer een paar druppels kwijt in het gat van de met toiletpapier bedekte wc-bril. Nooit zal hij een toiletbezoek kunnen brengen zonder papiertjes op de bril. Deze traditie zit potvast, al zolang hij zich kan herinneren. Niemand weet ervan, zelfs zijn moeder niet, die vroeger nog wel eens de deur open wilde maken als het bedekken van de bril te lang duurde. Eenmaal had hij een oplettend vriendinnetje. Ze signaleerde dat bij elk toiletbezoek wc-papier verdween. ‘Jongens hebben dat toch helemaal niet nodig?’, had ze verbaasd gevraagd. Door deze ontdekking maakte hij al snel een einde aan de relatie met Pleun Houtkamp. Nu is ze eerstejaars op dezelfde universiteit als hij. Lijfregel drie: vermijd exen. Bij het verlaten van de faculteit maakt hij een kleine inschattingsfout. Een grote groep eerstejaarsstudenten nadert net als hij de draaideur van de uitgang. Tijd om te ontwijken! Nog net glipt hij de draaideur binnen, een hokje eerder dan de naderende groep. Hij zit erin, maar de versleten rugzak haakt tussen draaideur en entree. Met een klap komt de bewegende deur tot stilstand; de 16 rugzak neemt hem in de houdgreep. De eerstejaars beginnen te giechelen. Hij bloost. Nog roder wordt hij wanneer de afgetrapte rugzak het begeeft en de inhoud de grond bezaait. Honderden blaadjes wit papier bedekken de donkere vloer. Van spanning voelt hij de druk op zijn blaas oplopen. Toiletbezoek wordt prioriteit nummer een. Lichtelijk in paniek probeert hij zich van de vastgeklemde rugzak te ontdoen. Wilde bewegingen geven hem tijdelijk wat vrijheid. Los van de rugzak, maar nog steeds tussen twee vastgelopen draaideuren in. Een paar eerstejaarsstudenten is inmiddels begonnen met het verzamelen van zijn papieren blaadjes. Met alle macht duwt hij de deur in tegengestelde richting om het faculteitsgebouw weer te kunnen betreden. Op slag geeft de deur mee. Hij valt met een smak op de grond. Zonder acht te slaan op de papierverzamelende eerstejaars, strompelt hij zo snel mogelijk naar het mannentoilet. Lijfregel twee: vermijd élk contact om fiasco’s te voorkomen Wanneer hij op de bedekte bril zit, kan Jort pas rustig ademhalen. Echt plassen hoeft hij niet, het gaat om die paar spanningsdruppels die eruit moeten. Na het doortrekken wil hij zijn afgedragen rugzak van de deurhaak halen, totdat hij beseft dat hij het versleten ding na dit incident nooit meer zal gebruiken. Met gebogen hoofd opent hij de deur van de mannentoiletten. Dankzij zijn neerwaartse zicht valt zijn oog direct op een stapeltje witte papieren, bijeengeraapt en voor de deur neergelegd. Alle onbeschreven, behalve de onderste: ‘Hou eens op met jezelf te bedekken. Voor mij blijf je zichtbaar.’ Buiten schijnt de zon, vanuit zijn kamer op de eerste verdieping kan Jort de stamdikte van de bomen observeren. Voldaan vult hij zijn dagen met het lezen van papieren kranten en het bekijken van oude perkamenten. De sociale gebeurtenissen van het ouderencomplex zijn na al die jaren nog steeds niet zijn favoriete bezigheid. Zichzelf bedekken met papier heeft hij daarentegen al tijden niet meer gedaan. Sinds mevrouw Houtkamp en hij in een duo-kamer leven, geeft zij hem zekerheid. Dit samenlevingsverband heeft hij overigens wel vastgelegd – op papier. Babel April 2013 17 Kunst&Literatuur de ode Kunst&Literatuur mijn agenda Iedere maand selecteert een Babel-redacteur de leuke dingen uit zijn of haar agenda. Deze maand is het de beurt aan Minthe Lok, student Taal & Communicatie. Verzet tegen de zinloosheid Elke maand brengt een inspirerend persoon een ode aan zijn of haar favoriete boek, film of andersoortige cultuuruiting. Deze keer is het woord aan Daan Roovers (1970), hoofdredacteur van Filosofie Magazine, die in het licht van de Maand van de Filosofie De Eerste Man van Albert Camus bejubelt. D rie maanden lang, elke doordeweekse dag: om 6.00 uur stipt rinkelde mijn wekker me uit een diepe slaap. Stagiair zijn was toch zwaarder dan gedacht. Nu ik weer lekker ‘gewoon’ student ben (en opeens zeeën van tijd heb), de zon steeds vaker voorzichtig begint te schijnen en de winterjas dus weer opgeborgen mag worden, staat er véél op de planning voor april. Een maandagavond, 20.30 uur Tekst /// Lieke van der Veer Beeld /// Andrea Margelli Pubquiz – Bar Baarsch (Jan Evertsenstraat 91) – meedoen kost € 2,50 en als je wint is de drankrekening gratis B ehalve De Eerste Man liggen ook Camus’ De Pest en De Mens in Opstand op tafel. De eerstgenoemde kiest Roovers als object van haar ode: ‘Het is het meest ontroerende dat ik ooit gelezen heb.’ Ze bladert door het boek, waarin veel paginaranden zijn omgevouwen en lacht verontschuldigend: ‘Er zitten heel grote flappen in overal, maar dat doe ik altijd hoor. Ik heb hier niet speciaal een hele studie van gemaakt ofzo.’ Mijn hele studententijd woon ik al in de Baarsjes, en elk jaar schieten hier wel een paar gezellige cafeetjes of winkeltjes uit de grond. Zo ook café Bar Baarsch, waar iedere maandagavond een Pubquiz gehouden wordt. Gezelligheid gegarandeerd! 8 t/m 17 april Imagine Film Festival – filmmuseum EYE – € ligt er aan hoeveel films ik bezoek Filmliefhebbers die geïnteresseerd zijn in horror, sciencefiction, fantasy, cult en anime zijn welkom op de 29ste editie van het Imagine Film Festival. Ook docu’s die zich richten op deze genres krijgen aandacht. Elke dag worden onbekende films vertoond, zijn er symposia en masterclasses, worden prijzen uitgereikt én kun je er ook nog eens lekker eten. Vanaf begin april zijn de kaarten te bestellen. Huilen om brieven Het is niet zozeer het filosofische dat Roovers in dit boek het meeste boeit, maar eerder de vorm. Ze vertelt hoe het manuscript is gered uit het wrak van de auto waarin Camus is verongelukt. Een aantal van de oorspronkelijke pagina’s uit dit manuscript is ook als facsimile in het boek afgedrukt. Roovers: ‘Dan zie je dus hoe hij werkt. Slechts af en toe verandert hij iets. Ik weet niet hoe jij schrijft, maar die man schrijft perfect, in één keer goed. Dat is van een enorme briljantie. Onwaarschijnlijk gewoon.’ Ook een briefwisseling van Camus aan zijn basisschoolleraar is opgenomen, geschreven nadat Camus – opgegroeid in een volledig analfabete familie – de Nobelprijs voor de literatuur had gewonnen. ‘Als ik die brieven lees, moet ik altijd huilen. Heel gek, ik heb dat eigenlijk helemaal niet vaak. Het is zo’n liefdevol boek. Een ode aan kind zijn, aan het optimisme dat kinderen hebben en aan onderwijs.’ Vanaf 13 april, dagelijks geopend van 09.00 tot 18.00 uur Rijksmuseum – € 10, met CJP of ING betaalpas € 5 en met museumkaart gratis Na tien jaar verbouwen, renoveren en restaureren opent (nu nog koningin) Beatrix op 13 april het vernieuwde Rijksmuseum. Op de website zijn al verschillende voorwerpen uit de collectie te zien. Een bezoekje waard! 13 april, 12.00-23.00 uur HENK in de FABRIEK – NDSM-werf – € 30 ‘Een festival als kunstvorm’, zo beschrijft de stichting HENK dit nieuwe festival. Na drie jaar HENK op de HELLING was het tijd voor een volgende stap. In een stalen loods werken op 13 april kunstenaars en muzikanten samen. Jamsessies gericht op techno, kunstwerken en andere live acts in overvloed: dat vind ik nou leuk. Wat maakt het dat deze thema’s Roovers zo boeien? Ze las De Eerste Man al voordat ze zelf kinderen had – ‘dus dat kan het niet zijn’. Maar wat dan wel? ‘Wat ik bewonder aan Camus, is dat zijn filosofie klein en groot tegelijk is.’ Ze vindt het lastig om dit preciezer te benoemen en stelt voor een stukje te lezen uit De Pest. In de laatste zin zegt Tarrou, de hoofdpersoon van het boek: ‘Wat mij interesseert, dat is mens te zijn.’ Roovers kijkt op en zegt vol bewondering: ‘Ik vind dit echt… Ja. Dat vond ik zo… Dat mens zijn. Eerst denk je, wat is dat nou voor moreel ideaal, dat mens zijn? Maar dat is eigenlijk het grootste en het kleinste ideaal ineen.’ 20 april, 15.00 uur Oma wat doet u nu?! – VLLA (Willem Roelofsstraat 9) – earlybirds € 7,50, regular € 10. De krantenjongens – ‘A new kid in de Amsterdamse muziekwereld’ – organiseren feestjes waar ‘sfeer, beleving en good house music’ samenkomen. Hun eerste evenement gaat samen gebeuren met oma: het thema van deze editie. Een klein en intiem festivalletje. Ergens nadat studiefinanciering is gestort, rond 19.30 uur Uit eten – Pomorosso – Ceintuurbaan 71 – € ligt er aan hoeveel honger en dorst ik heb Het absurde universum Nadat culinair journalist Johannes van Dam namens Het Parool vorig jaar een bezoekje bracht aan Pomorosso en het restaurant met een 9+ beoordeelde, moet je ver van tevoren een tafeltje reserveren. Deze maand ga ik eindelijk weer eens bij dit heerlijke Italiaanse restaurant eten, waar iedereen die hier werkt ook écht Italiaans is. (Tip: word ‘vrienden’ met de bedrijfsleider, dan zet ‘ie na het eten een fles huisgemaakte limoncello bij je op tafel.) Na een tijdje peinzen zegt Roovers: ‘Het grotere plaatje is natuurlijk het absurde universum. Het grootste filosofische probleem is de zelfmoord, volgens Camus: waarom maken we er dan niet gewoon een einde aan, als de kosmos toch onverschillig staat ten opzichte van ons bestaan? Volgens Camus is het de opdracht van de mens om die spanning uit te zitten. Om te weten dat het bestaan absurd is, en dan toch door te gaan. Je bent niet alleen. Je moet je gezamenlijk verzetten tegen de zinloosheid, vanuit een gedeelde ervaring van het absurde.’ 18 Ze benadrukt echter stellig zich niet te identificeren met dit filosofische absurdisme: ‘Dat zinloze, dat klinkt nogal depressieverig, daar heb ik niks mee. Maar wat ik herken is het idee dat we alles zelf aan de wereld moeten toevoegen. En dat we dat alleen maar kunnen in contact met anderen. Dat zijn de meest zinvolle ervaringen.’ Eigenlijk, zegt Roovers, maakt precies deze optimistische boodschap van het boek dat het haar zo raakt – een optimisme dat zit in de niet te vernietigen menselijke veerkracht. Roovers: ‘Somberheid is nooit onze eerste natuur.’ En, zo mailt ze nog na: ‘Sociaaleconomische omstandigheden hebben nooit het laatste woord.’ Babel Een woensdagavond, 18.00 uur Rennen in het Westerpark met NIKE – verzamelen bij de NIKE store – gratis Nadat ik me goed heb gedaan aan een overdaad antipasti, ravioli en scroppino moet er (helaas) ook aan de lijn gedacht worden. NIKE organiseert elke woensdagavond een run. Er wordt in drie groepen gerend: beginner (3,8 km), intermediate (6,8 km) en advanced (10,5 km). 30 april, de hele dag Struinend door de Jordaan – € afhankelijk van mijn hebzucht Hoewel Koninginnedag dit jaar iets anders zal zijn dan voorgaande jaren (en nóg drukker dan normaal), ben ik op deze dag het liefst in de Jordaan. Begin van de dag lopen we langs de kraampjes met rommel, om te eindigen bij de buitenbar van een gezellige Jordaanse kroeg. Nu nog duimen voor een lekker zonnetje! April 2013 19 Columns&Opinie ESSAY Columns&Opinie Italianer springen in mijn ogen, maar ik wil niet dat ze het ziet. Het is vast de rode wijn. Gekkie, zegt ze. Een stelletje goed getrainde wantrouwers Volgens de wetenschap zijn de kunsten in het post-postmodernisme beland: oprechtheid heeft de ironie verdrongen. Maar heeft dat ook betrekking op jouw leven, vraagt masterstudent Comparative Literature Daan Borrel zich af. Beeld /// Roos Aalvanger ‘I k zeg gewoon dat het gaat over de vraag hoe mensen kunnen veranderen nu er geen grote ideologische modellen meer beschikbaar zijn. En als die ander ’t nog niet op een compulsief gapen heeft gezet, voeg ik eraan toe dat ik schrijf over hoe mensen nog verbindingen kunnen aangaan in een maatschappij gekenmerkt door individualisme en verdeeldheid’. Dit is het antwoord van Marja Pruis als mensen haar vragen naar het thema van haar romans. Een goede vervanger voor het bijna beschamende, doch oprechte, cliché: ‘over de liefde’. De afgelopen weken werd ik er tijdens college mee doodgegooid: het post-postmodernisme, een hele mond vol, of het laatpostmodernisme. In tegenstelling tot het voor iedere geesteswetenschapper welbekende postmodernisme – met kernwoorden als buitensporig relativisme, cynisme, ironie, ethische onverschilligheid en een ‘anything goes’mentaliteit – zijn we sinds 11 september 2001 op weg naar het laatpostmodernisme. Dit laatpostmodernisme wordt gekenmerkt door engagement, caring, waarachtigheid, oprechtheid en eerlijkheid. Door alleen maar postmodernistisch deconstructief te redeneren (denk Derrida, denk Lyotard), door ironie en cynisme de baas te laten spelen, liet niemand écht zijn stem horen. Nu zouden we weer iets kunnen opbouwen. Er is weer behoefte aan geloof, er is weer behoefte aan verbintenis. Voor verbinding, verandering en geloof is echter iets nodig. Oprechtheid. Het tegenovergestelde van cynisme en ironie. 20 Volgens literatuurwetenschapper Ellen Rutten is oprechtheid (‘new sincerity’) een belangrijk onderdeel van de laatpostmoderne kunsten, maar ook van een ‘spanking new cultural mentality’ die samengaat met het laatpostmodernisme. Als we haar theorie mogen geloven, zouden niet alleen de kunsten maar ook onze culturele mentaliteit verlangen naar oprechtheid. Hoe mooi en waarachtig laatpostmoderne theorieën klinken, blijft de vraag bij mij toch knagen: hoe oprecht kunnen we nog zijn na het postmodernisme? En waarom is deze turn zo moeilijk? Dingen als kranten, kleren en opvattingen passen bij jou, in plaats van dat jij bij een overtuiging past Waar veel theorieën ons de betekenis van het dynamische begrip oprechtheid onthouden, vertaalt Rutten het begrip met ‘being true to oneself’. Toch geeft zij aan dat het begrip constant verandert, zoals het ook in elke cultuur een verschillende lading heeft. Een jongen uit mijn werkgroep merkte op dat oprechtheid dus eerder een mening is dan een objectieve eigenschap. Het lijkt erop dat oprechtheid niet alleen bestaat uit eerlijk zijn tegenover jezelf, ook het oordeel van de ander bepaalt jouw oprechtheid. De ander heeft een keuze om de oprechte daad, of het oprechte woord, als zodanig te bestempelen. En daar ligt het probleem, vrees ik. Hoe kunnen we weten of de ander oprecht is? Of eigenlijk: hoe serieus kunnen we de ander nog nemen? Als ik met mijn vriend in de Chicago Social Club op een bankje aan de zijkant van de dansvloer zit te praten, wrijft en wurmt zich een wulps meisje aan de andere kant van mijn vriend op een zitplaats zo klein als voor een kabouter. Ze hangt half over hem heen, en fluistert lachend en afwezig: ‘ik ga zo lekker op de ketamine’. De kleuter van een kennis begint op een verjaardag te huilen, zijn vader zet hem gauw op de bank met een iPad in zijn handen. Als hij krijgt wat hij ‘wil’ is hij, godzijdank, stil. Carice van Houten zou zo graag een leuke man tegenkomen. Ze voelt zich eigenlijk heel eenzaam, lees ik in het Volkskrant Magazine. Mijn moeder en ik zitten naast elkaar op ’t pontje. Als ze vraagt of die scheur in mijn broek er al in zat, of er in is gekomen, antwoord ik dat ik al dacht dat ze het niet leuk zou vinden. Ze zegt dat ik niet altijd moet denken dat ze een oordeel heeft. Tranen Babel Er zijn twee moeilijkheden die ervoor zorgen dat de daad of het woord van de ander wordt gewantrouwd. Allereerst wordt oprechtheid vaak als een economische strategie ingezet. Producten beloven de consument hun authentieke ik te vinden. Daarnaast, zegt Rutten, heeft de media veel invloed op het begrip oprechtheid. We leven in een gemedieerde maatschappij. Deze twee redenen leiden tot de vraag: is wat ik lees, zie of hoor niet gewoon marketing, en hoe kan ik nou weten of de boodschap oprecht is als er een medium tussen zit? De uitvinding van de Hipstamaticfoto is een goed voorbeeld van mislukte, maar goed bedoelde, oprechtheid. Zovelen fotograferen hun ‘echte’ leven, en publiceren dit op Facebook en Twitter. Er wordt zo hard geprobeerd om oprecht te zijn, om hun ‘ware’ ik te tonen, om verbinding te vinden met de ander. Terwijl de foto’s vaak cynisch worden ontvangen. We zijn de ironische cage nog niet uit. We zijn een stelletje goed getrainde wantrouwers. Jongeren hebben ideologie verruild voor identiteit, schrijft Joost de Vries in De Groene Amsterdammer van maart 2009. De wereld draait alleen nog maar om jezelf. Dingen als kranten, kleren en opvattingen passen bij jou, in plaats van dat jij bij een overtuiging past. Als je zelf altijd in het middelpunt staat, is verbinding lastig, en het wantrouwen groot. En dan heb je nog de oordelen, de kritiek. Ik zoek toch nog altijd de goedkeuring van mijn moeder. Voor een broek nota bene. Carice spreekt in een interview vooral over haar grote eenzaamheid. Net als Halina Reijn trouwens (een vriendinnenkwaal?). Ze laten ‘oprecht’ hun gevoelens aan de buitenwereld zien, en toch komt het niet oprecht over. Eerder nep. Hou het lekker voor jezelf, denk ik almaar tijdens het lezen. De weg naar oprechtheid is nog lang. Een klein kind is oprecht, maar zelfs de huilende peuter weet met zijn oprechte gejank al heel goed zijn ouder te manipuleren. Hoe moeilijk is het om (weer) oprecht te worden, om zelfs maar oprechtheid als begrip te formuleren, in dit tijdperk. Moet dat dan? Ja, ik denk het wel. Heel schematisch beargumenteerd: dat cliché liefde bestaat uit verbinden en geloven, en dat verbinden en geloven vereist oprechtheid. What’s in a name? We waren zes mannen met een missie. Deze bewuste avond moest er rondom de keukentafel een crisis worden opgelost. Een kwestie die onlosmakelijk verbonden was met onze identiteit. Een groot vel papier lag op tafel, daarnaast een dikke stift. We hadden onszelf een deadline gesteld: voor middernacht zouden we de knoop doorgehakt hebben. De situatie was onhoudbaar en explosief. De voorgeschiedenis. In het halve jaar dat mijn zeskoppige hiphopband bij elkaar is, hebben we constant geruzied over de naam die we aan ons muzikale project zouden verbinden. Een greep uit de geopperde mogelijkheden: New Grounds Quintet, Celestial Hotbodies, Aged in Oak, Touch of Evil, Strijder Tijden, Piramides op Drijfzand, Kung Fu Grinder. Uiteindelijk werd het Nachtschade. De nachtschade is een plantenfamilie waartoe onder andere de tomaat, de aubergine en de aardappel behoren. Maar nachtschade is ook de schade die je toebrengt aan de nacht, of in de nacht − zo redeneerden wij. Kortom, de ultieme bandnaam. We waren opgelucht. Totdat na enige maanden bleek dat een ander Amsterdams bandje vrij serieus aan de weg timmerde onder dezelfde naam. We voorzagen grote misverstanden bij boekers, concertbezoekers en facebookers. En zij waren het eerst. Dus daar gingen we weer: er moest een nieuwe naam komen. De meest exotische suggesties vlogen over tafel. Kannibaaltomaat. Boksdoorn. Bastaardsuiker. Granaatappèl. Ieder voorstel werd vergezeld door een vurig betoog en een discussie van minstens een half uur. Alle namen werden genoteerd, ook de meest onzinnige. Enkele conservatievelingen onder ons probeerden zo dicht mogelijk bij Nachtschade te blijven: Nachtschadelijk, Nachtschadeclaim of waarom niet gewoon Nachtschade 2? De bassist stelde voor dat we De Strijd om Nachtschade zouden heten. Naarmate er meer biertjes gedronken waren, nam het aantal curieuze ideeën toe, zoals Negerzaad – dat is ook een plant. Niemand vond het een geschikte naam. Er werd gestemd, en nog eens, en nog eens. We kwamen er niet uit. Iemand opperde het idee om toch maar gewoon Nachtschade te blijven heten. En dan zo snel mogelijk Amsterdam veroveren, sneller dan die andere Nachtschade. En tot die tijd maar hopen dat niemand ons door elkaar haalt. Wat het is met zo’n naam: je moet erin groeien. De Beatles dachten vast ook niet meteen: dit is ‘m!, toen Paul McCartney voorstelde om de band naar een insect te vernoemen. Zou het ‘dit is ‘m!’-gevoel überhaupt weleens voorkomen bij het verzinnen van een naam? Deze avond in ieder geval niet. De definitieve beslissing is uitgesteld. We zijn slecht met deadlines. Tekst /// Quint Italianer Beeld /// Roos Aalvanger En dan lees ik dit, van Maartje Wortel: ‘Het is nooit genoeg, daarom moet je niet luisteren naar wat mensen zeggen, je moet kijken naar wat ze bedoelen’. Als eerste stap moeten we leren kijken naar de bedoeling, anders wordt het nooit wat. Het ging niet om die scheur in mijn broek. De bedoeling was gewoon belangstelling. April 2013 21 Columns&Opinie RECENSIES Columns&Opinie ESSAY Tout gay Amsterdam kijkt naar matige pilot De biseksuele eter I Waarom moeten vegetariërs, flexitariërs en veganisten zich verdedigen en vleeseters niet, vraagt Andrea Speijer-Beek zich af. Ze komt uit de kast als veganist-die-leer-draagt, rekent af met druk van de meerderheid en stelt terloops haar eigen egoïsme aan de kaak. Beeld /// Wouter Alberts k ben Andrea en ik ben veganist. Of liever gezegd: ik volg een veganistisch dieet. Échte veganisten schudden smalend het hoofd om de leren schoenen, wollen kleding, zijden sjaals en dieronvriendelijke make-up die ik vaak en veel draag. Ik op mijn beurt verzwijg meestal dat ik er een dier-vrij eetpatroon op nahoud, bang om allerlei vragen te moeten beantwoorden over mijn motieven en (geestelijke) gezondheid. Het feit dat ik de helft van mijn voedsel rauw consumeer is iets waar ik niet graag over begin, zeker sinds de documentaires over ‘de rauwe moeder’ het imago van alternatieve eters in Nederland voor altijd hebben verpest. Maar waarom zou ik mij iets aantrekken van de scepsis vanuit de mainstream? Vanwaar dat eten van twee walletjes, dat biseksuele gedoe? Waarom speel ik het spel niet gewoon volgens de vegan regels? Het antwoord is kort en beschamend eenvoudig. Omdat ik een egoïst ben, geen idealist. De keuze geen dierlijke producten te eten is niet werkelijk gemotiveerd door dierenleed, wereldhonger of religieuze overtuiging. Mijn redenen voor het volgen van een veganistisch dieet lijken veel op die van vleeseters en parttime vegetariërs. Ik geloof namelijk dat er iets te halen valt. Dat het in mijn voordeel is op punten die voor mij het belangrijkst zijn. Voor mij zijn dat het gereduceerde risico op kanker, de wens om (mooi) oud te worden en het niet hoeven denken om calorieën. Toch doe ik mijn motieven steevast mooier voor dan ze zijn. Ik eet weinig tofu. Niet om de regenwouden te sparen, maar omdat de smaak ervan niet bepaald avontuurlijk is. Bijna al mijn kleding komt bij het Leger des Heils vandaan. Officieel om niet mee te werken aan de vraag naar leer en wol en om de zwervende medemens te steunen, in werkelijkheid omdat het lekker goedkoop is. In dat opzicht verschil ik in niets van de meisjes die hun koffie uitdrukkelijk fair trade drinken, maar ondertussen wel voor de kiloknallers gaan. 22 Het is waar dat er met het aannemen van een veganistisch of rauw dieet een hele hoop aannames meekomen waarbij je terecht vraagtekens kunt zetten. Bijvoorbeeld de fantasie dat je uitsluitend moet eten wat je naakt bijeen zou kunnen scharrelen in de wildernis. Of daarbij wel of geen hulpmiddelen zijn toegestaan hangt nog af van de stroming. Misschien mag je uitsluitend eten wat er in het Hof van Eden op het menu stond. Of alleen sap van groene groenten en fruit. Als rechtvaardiging voor het specifieke dieet worden argumenten aangehaald die iedereen op de middelbare school Misschien mag je uitsluitend eten wat er in het Hof van Eden op het menu stond. Of alleen sap van groene groenten en fruit. heeft leren herkennen als ongeldig. ‘Zet een baby een wortel en een konijn voor. Als hij het konijn eet en met de wortel speelt zouden mensen vlees moeten eten.’ Zijn ‘natuurlijk’ en ‘feitelijk’ plotseling synoniemen voor ‘goed’ en ‘wenselijk’? Reductionisme! Maar eveneens tenenkrommend zijn de argumenten van de vleeseters. ‘Primaten zijn per definitie opportune eters!’ en ‘De mens eet al duizenden jaren vlees!’ zijn veelgehoorde ‘argumenten’. Sinds wanneer is beroep op traditie juiste argumentatie? En zo voort. Toch is het alleen de tafelgast die zich niet op het kaasplateau stort die om een verklaring wordt ge- vraagd. Alsof de voorwaarde voor anders leven onfeilbaarheid is, iets waar per definitie niemand aan kan voldoen. Precies in dat feit zit het probleem. Door conventies te doorbreken stel je een daad die de ander dwingt positie in te nemen. Om dat te doen moet de ander eerst zijn eigen positie rechtvaardigen nu deze niet langer vanzelfsprekend is. Hoe meer mensen hun vanzelfsprekendheden aangetast zien, hoe meer weerstand het alternatief kan verwachten. Onder het mom van ‘bezorgdheid’ kraakt de meerderheid je net zo lang tot je opgeeft en weer braaf wordt zoals zij. Toegeven dat het verschil tussen mij en de meerderheid eigenlijk heel klein is zou mijn escape zijn uit de verdediging en mij terugbrengen op een acceptabele positie aan de rand van de mainstream. Ik trek met mijn dieet immers de egocentrische fundamenten van de status quo niet in twijfel, alleen de uitkomst ervan. Toch houd ik wel degelijk de schijn op. Wanneer een veganist mij aan de tand voelt over mijn kleding begin ik direct over de moeite die ik mij getroost alles tweedehands te kopen. Wanneer een vleeseter mij ondervraagt, zal ik net doen of het niet eten van dierlijke producten een ingewikkelde filosofische kwestie is, om een moreel rookgordijn op te trekken. Eigenlijk ben ik vooral bang dat men, mainstream of niet, mij ziet zoals ik ben: iemand die zich in wezen alleen bekommert om zichzelf. Iemand die het goede uitsluitend doet om de verkeerde redenen. Iemand die opportuun is, als een echte primaat, en daarmee feitelijk geen haar beter dan de rest. Of misschien toch een klein tikkeltje beter, alleen om het besef. Andrea Speijer-Beek (1988) behaalde in 2011 haar bachelor Filosofie aan de UvA. Dit academisch jaar neemt zij een sabbatical van de onderzoeksmaster Wijsbegeerte om zich volledig op het schrijven te concentreren. Tuschinski, donderdagavond, grote zaal. Uitverkocht. In de hal werd er champagne geschonken, er waren Hematompoezen met Queer Amsterdam erop geschreven. En een roze loper. Tout gay Amsterdam paradeerde er rond. Jongens op hoge hakken en met oogschaduw, vrouwenstellen van veertig plus, young and beautiful lesbische vriendengroepen. Terug naar de zaal. Over een paar minuten zal op het doek de pilot-aflevering van Queer Amsterdam geprojecteerd worden – een mozaïekvertelling over negen personages die zich als ‘queer’ identificeren. Gemaakt door vier jonge filmmakers die zich ook als queer identificeren, las ik op de website. Gefinancierd door sponsors uit de gay wereld en – hoe kan het ook anders – door crowdfunding. Een mooi initiatief. Twee van de jonge filmmakers klimmen het podium op. De regisseur neemt het woord. ‘Jullie kennen mij als Sanne’, zegt hij. ‘Maar vanavond sta ik hier als Bart. Ik ben in transformatie naar man.’ De zaal juicht en klapt. De voorstelling kan beginnen. De pilot blijkt een introductie van alle negen queer personages te zijn. Denk: hoofdpersoon Toni (v) heeft liefdesverdriet om vriendin Kai – gespeeld door Aynouk Tan – die het uitgemaakt heeft. Ex-vriendin Kai voelt zich de laatste tijd meer man dan vrouw. Flamboyante kunsthomomet-zwarte-bril en twintig jaar jongere vriend. Een vrouwenstel dat in scheiding ligt maar nog steeds bij elkaar woont, en een mannenstel dat een seksshop runt, van wie één Hiv-positief is. Het camera- en acteerwerk zijn goed: het is in handen van professionals en dat kun je merken. De acteurs komen nagenoeg allemaal van de Toneelschool en de crew van de Filmacademie. De montage is strak, snel en mooie shots van Amsterdam wisselen af met de scènes . Maar helaas: het scenario is tenenkrommend. Hoeveel getroebleerde personages die op hun fixies door Amsterdam fietsen, kunnen we aan? Clichématige, vlakke karakters die overduidelijk een bepaald (ongeloofwaardig) type moeten uitdragen bevolken het script. En dat terwijl de serie gemaakt is met de bedoeling om stereotypen te doorbreken. ‘Deze dramaserie is bedoeld voor de televisie en heeft de allure van een arthousefilm’. Een mooi ideaal en een goede eerste poging. Maar alsjeblieft, iets minder GTST, iets meer geloofwaardige diepgang. Wat: Queer Amsterdam, een dramaserie over negen ‘queer’ personages. Waar: voorlopig alleen op www.queeramsterdam. nl. De makers zijn in gesprek met verschillende omroepen. BEOORDELING: Tekst /// Francisca Wals Fast Flying Fun – op naar IJmuiden De pont naar Noord of het NDSM-veer naar het festivalterrein en de IJ-Hallen zul je vaak genoeg bevaren. Maar aan bakboort van deze blauwwitte ferry’s legt aan steiger 14 – achter de fietsenboot – nog een heel ander vaartuig aan. Deze gifgroene en razendsnelle draagvleugelboot is de UFO onder de veerponten. Hij vaart onder de naam Fast Flying Ferry (FFF) elke veertig minuten binnen een half uur over het Noordzeekanaal naar Velzen (IJmuiden). Je dagje strand begint met een raketsnelheid. Jammer is wel dat je bij de aanmeerplaats je zeebenen nog moet overhevelen op bus 82 richting zee. De FFF is van het type fast boat, dat veel gebruikt wordt in eilandrijke gebieden in Azië: aerodynamisch en volledig afgesloten tegen het opspattende water. De trauma’s die veelal gepaard gaan met de Aziatische snelle boot blijven je echter bespaard: het Hollandse model heeft de uitzondering wél zeewaardig te zijn en reist vlug en comfortabel als een bus. Je koopt een ticket bij de automaat op de steiger (€ 8,60 dagretour, boter bij de vis) of checkt in met je OV-chipkaart en strijkt neer op een groene busstoel met gordel. Vlak voordat de trossen van de FFF worden losgegooid, start een veiligheidsfilm en kun je rustig de noodhandleiding doornemen met uitzicht op April 2013 de overvloedige voorraad zwemvesten. Je zou verwachten dat na afloop van de film het aftellen begint en de FFF zich op zijn minst naar een andere dimensie zou begeven. Qua comfort zit je bij de FFF in hetzelfde schuitje als bij het reguliere OV. Toch is het mogelijk je gedachten er, met uitzicht op een dagje zilte zeelucht, te laten varen. Je kaartje wordt geknipt door een schipper met zeeblauwe ogen en een golvende snor. Door de buitengewoon vuile ruiten heb je gelukkig wel nog net zicht op de bijna buitenaardse havenschuiten. Stel je dagje strand per boot echter niet te lang uit: het is mogelijk dat door bezuinigingen het anker van de FFF per januari 2014 definitief wordt uitgegooid. Wat: Fast Flying Ferry naar Velzen/strand IJmuiden Waar: achter het CS op steiger 14, links naast de reguliere veren Toegang: € 5,30 enkel, € 8,60 retour, geen studentenkorting Wanneer: dagelijks, elke 40 minuten BEOORDELING: Tekst /// Kim Schoof Beeld /// Wouter Alberts 23 De koelkast van Elisa, Fleur, Noor, Stephanie, Isa, Jet, Charlotte, en Tanja Wie je bent is wat je eet, en liefde gaat door de maag – wat er in je koelkast ligt is geen triviale zaak. Babel inspecteert iedere maand de koelkast van een student. Deze maand de twee koelkasten (huisvocabulaire: ‘ijskasten’) van student Nederlands Elisa Harderwijk (1992), die ze deelt met dispuut- en huisgenoten Fleur, Noor, Stephanie, Charlotte, Isa, Jet en Tanja van het Amsterdamse studentencorps A.V.S.V. Tekst /// Ties Brock Beeld /// Wouter Alberts koelkast Elisa: ‘Na een huisdiner waren de ijskasten helemaal leeg. Er lag alleen nog een biertje dat iemand half had leeggedronken en weer had teruggelegd. Het leek net een fles waar een schip in zat. Het stonk enorm.’ Noor: ‘Ik weet niet meer wie het biertje zo heeft teruggezet.’ Elisa: ‘Ik denk dat het een gast was.’ Stephanie: ‘Laten we dat voor het verhaal maar zeggen.’ KIP Elisa: ‘Dit is echt heel vies. Gadver – er zit schimmel op.’ Stephanie: ‘Die kip ligt er al sinds ik mijn eerste werkgroep had – meer dan drie weken geleden.’ Noor: ‘Er ligt hier wel vaker beschimmelde shit.’ Elisa: ‘Komkommers die helemaal zacht zijn bijvoorbeeld. Niemand let erop en niemand weet van wie het is.’ Noor: ‘De huisjaars moet de ijskast schoonmaken.’ Charlotte: ‘Dat ben ik.’ rauwe ham Elisa: ‘Als we brak zijn, wordt er flink uitgepakt. We maken broodjes met Coburger ham en Philadelphia of met geitenkaas, honing en walnoten.’ crème fraîche Fleur: ‘Of we maken guacamole. Avocado, een zakje, crème fraîche en dan gewoon gaan. We eten het samen op.’ Noor: ‘We eten alles samen op.’ Elisa: ‘Sharing is caring.’ KAAS Elisa: ‘Kaas is hier een primaire levensbehoefte. Er liggen meer kazen in de ijskast dan er mensen wonen. Soms wordt je kaas gestolen.’ Stephanie: ‘Als je ’s ochtends je kaas pakt, en er zitten bobbels in, weet je dat er ’s nachts iemand aan heeft gezeten.’ 24 CHAMPAGNE Elisa: ‘Met mijn groepje heb ik de eerste prijs gewonnen bij het vak taalontwikkeling. We deden een maand onderzoek naar theory of mind bij autistische kinderen. Het was een moeilijke onderzoeksgroep. Als beloning kregen we alle drie een fles champagne. Hij ligt koud voor als het moment daarBabel is.’
Benzer belgeler
UvA-student Dieuwertje is De nachtwaker van Giel
soorten gibbons in vier geslachten.’ Vier geslachten? Echt? De online encyclopedie ging offline
uit protest tegen twee Amerikaanse wetten die
de doodsteek kunnen zijn voor het vrije internet.
Bij h...
Downloaden
groot. Nu staan we wel
vaker op grotere werken, maar dit is zelfs voor ons
doen veel. Het is hard werken en je hebt te maken
met veel verschillende partijen. Bij kleine projecten
sta je soms in je ...